We kennen in de Wmo 2015 gebruikelijke hulp en niet-gebruikelijke hulp. Alles wat iedereen normaal gesproken voor een ander doet is gebruikelijk. Wat meer is, is niet-gebruikelijk. Maar ook bij niet-gebruikelijke hulp kan het soms gebruikelijk zijn dat dit wordt gegeven.
In de verordening is vastgelegd dat gebruikelijke hulp de hulp is die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Bij huisgenoten spelen de vragen; Kan hij het, heeft hij er de tijd voor en is hij niet overbelast? Als deze 3 vragen met ja beantwoord kunnen worden, dan kan verwacht worden dat ook niet-gebruikelijke hulp gewoon wordt gegeven. Lukt dat niet meer, dan kan de gemeente te hulp komen.
Voor zover gebruikelijke hulp kan worden verwacht, hoeft het college geen hulp-op-maat toe te kennen. Het college kan voor de niet-gebruikelijke hulp, hulp-op-maat verlenen. Daar waar sprake is van overbelasting, zal hulp-op-maat niet op basis van een pgb worden verstrekt.
De vraag of en zo ja, welk onderdeel van de hulpvraag tot gebruikelijke hulp behoort, beoordeelt het college op grond van de afwegingskaders ‘Gebruikelijke hulp jeugd’ en ‘Gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning’.
Deze afwegingskaders dienen als uitgangspunt. In elke individuele situatie wordt op basis van dit toetsingskader een zorgvuldige individuele afweging gemaakt. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de jongere en zijn ouders of leefeenheid.
Zowel bij het afwegingskader ‘Gebruikelijke hulp jeugd’ als het afwegingskader ‘Gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning’ wordt uitgegaan van een onderscheid in kortdurende en langdurige zorgsituatie en de richtlijnen gebruikelijke hulp voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel.
1.5.1.a Onderscheid kortdurende en langdurige zorgsituatie
Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties.
- - Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal 3 maanden.
- - Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de zorg langer dan 3 maanden nodig zal zijn.
In kortdurende zorgsituaties kan van ouders en andere verzorgers/opvoeders (Jeugdwet) en echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (Wmo) worden verwacht dat ze alle persoonlijke verzorging en begeleiding zelf bieden. Dit betreft gebruikelijke hulp.
Alleen in langdurige zorgsituaties kan derhalve sprake zijn van niet-gebruikelijke hulp waarvoor het college hulp-op-maat moet inzetten. Dat sprake is van een langdurige zorgsituatie kan al vanaf het begin duidelijk zijn. Er hoeft dan dus niet eerst 3 maanden te worden ‘gewacht’ voordat Voormekaar hulp in kan zetten.
1.5.1.bRichtlijnen voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel
Kinderen van 0 tot 3 jaar
* hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;
* ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
* zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
* hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
* hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 3 tot 5 jaar
* kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
* hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
* kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
* ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;
* hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
* hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
* zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
* hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 5 tot 12 jaar
* kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;
* kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
* hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;
* hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
* zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen als nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
* hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;
* hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar
* hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
* kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
* kunnen vanaf 16 jaar een dag en nacht alleen gelaten worden;
* kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
* hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
* hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
* hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling
(bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
* hebben t/m 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.