Naast de voorwaarden in artikel 4.1 en 4.2 kan de cliënt een woonvoorziening krijgen als:
de cliënt moeite heeft met het normale gebruik van zijn woning;
de cliënt alles heeft geprobeerd om een passende woning te vinden;
de cliënt woont of gaat wonen waar de voorziening nodig is;
de cliënt volgens de wet en regels in de woning mag wonen en die woning geschikt is om daar blijvend te wonen. Het moet gaan om een vast huurcontract of koophuis;
de problemen niet komen door de materialen of slecht onderhoud. En de woning moet aan de regels en voorschriften voldoen.
In gemeenschappelijke ruimten worden alleen deze woonvoorzieningen gegeven:
automatische deuropeners;
hellingbanen/oprijplaten;
het verbreden van toegangsdeuren van gemeenschappelijke ruimten;
drempelhulpen of vlonders plaatsen;
een opstelplaats voor een voorziening in de buurt van de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.
Maar dit geldt niet als het gebouw speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap en/of ouderen.
Het college geeft geen woonvoorziening als:
de cliënt niet naar de meest geschikte beschikbare woning is verhuisd volgens zijn of haar beperkingen, tenzij het college schriftelijke toestemming heeft gegeven;
de noodzaak om te verhuizen niet komt door beperkingen in zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden is om te verhuizing;
de voorzieningen of aanpassingen makkelijk en zonder veel extra kosten kunnen worden gedaan bij nieuwbouw of renovatie.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.9
Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen
Onderdeel van VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE DE FRYSKE MARREN 2024