Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.1

Zorgplichten op orde

Onderdeel van Water- en Rioleringsprogramma Gouda 2024 t/m 2028

4.1.1Beheer en onderhoud De gemeente onderhoudt het rioleringssysteem, grondwaterbeheersingssysteem en delen van het watersysteem zodat deze systemen goed blijven functioneren. Door het reinigen, inspecteren en repareren heeft de gemeente inzicht in de kwaliteit van de riolering en drainage-infiltratiesystemen en wordt deze kwaliteit weer op niveau gebracht. 4.1.2Beheer bijzondere constructies en gegevensbeheer De kwaliteit van bijzondere constructies als gemalen en persleidingen wordt deze planperiode beter in beeld gebracht. Voor elk van de constructies wordt (opnieuw) een verwachte levensduur bepaald. Voor nieuwe onderdelen zoals waterbergingen en DIT-systemen wordt een onderhoud- en beheerstrategie opgesteld. In het kader van gestandaardiseerd gegevensbeheer en uniforme gegevensuitwisseling werkt de gemeente volgens het GWSW (gegevens woordenboek stedelijk water). 4.1.3Meer grip op de planning van vervangings- en verbeteringsprojecten De kwaliteit van het bestaande stelsel wordt vooral bepaald door voortgang van vervangings- en verbeteringsprojecten. In de praktijk lopen deze projecten vaak vertraging op door de koppeling met projecten in de openbare ruimte. Deze koppeling is wel noodzakelijk om de overlast en kosten te beperken. Om meer grip te krijgen op de uitvoeringsplanning trekt de gemeente de vooronderzoeken voor vervanging van riolering naar voren en maakt een uitvoeringsplan voor de komende 10 jaar. 4.1.4Risicogestuurd beheer De gemeente gaat bij de vervangingsplanning in eerste instantie uit van de verwachte levensduur van de riolering. De geschatte levensduur in het huidige GRP is 40 jaar voor niet-onderheide riolering en 60 jaar voor onderheide riolering. In de praktijk ziet de gemeente dat de riolering vaak langer kan blijven liggen op basis van inspectieresultaten. Aan de andere kant wordt er in de praktijk bij belangrijke rioleringsbuizen eerder gekozen voor vervangen, omdat de schade bij een calamiteit bij die buizen een stuk groter is. Het gaat hierbij om hoofdafvoeren of riolering onder ontsluitingswegen. Hierbij maakt de gemeente al impliciet een risicoafweging. In de komende planperiode gaat de gemeente verder om deze risicoafweging expliciet te maken. Hiermee krijgt de gemeente een beter inzicht in de langetermijnplanning van de vervangingen. Dit zorgt voor een betere planning van de noodzakelijke vervangingen op de korte en lange termijn. Een betere planning voorkomt de behoefte een grote financiële voorziening en vergroot de mogelijkheid om werk met werk te maken. Kolkenstelsels zijn kleine regenwaterstelsels zonder mogelijkheden tot inspecteren. Sommige stelsels zijn van slechte kwaliteit en hebben een beperkte afvoer en moeten vervangen worden door een volwaardig regenwaterstelsel. De stelsels in Plaswijck en Bloemendaal zijn door de beperkte zetting mogelijk nog van goede kwaliteit. De ruimere opzet van de wijken maakt het wellicht mogelijk om de capaciteit te vergroten zonder de kolkenstelsels te vervangen door regenwaterstelsel. Om hier een goede keus in te kunnen maken onderzoekt de gemeente de kwaliteit en de mogelijkheden van deze stelsels. Voor het risicogestuurd beheer van de riolering, hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: Riolering onder hoofdwegen, riolering bij funderingsgevoelige panden en hoofdafvoeren van riolering worden beschouwd als kritische riolering. De geschatte levensduur van kritische riolering is 40 jaar voor niet-onderheide riolering en 70 jaar voor onderheide riolering. De geschatte levensduur van niet-kritische riolering is 60 jaar voor niet-onderheide riolering en 90 jaar voor onderheide riolering. Kolkenstelsels die goed functioneren worden behouden. Figuur 4 Beslisboom voor de inschatting levensduur riolering op de lange termijn 4.1.5Hemelwater Bij rioolvervangingen en projecten in de openbare ruimte wordt een afweging gemaakt of het actief scheiden van waterstromen de meest doelmatige en duurzame wijze van hemelwaterverwerking is. In beginsel legt de gemeente bij rioolvervanging een gescheiden rioolstelsel aan en geldt dat het afstromend regenwater in de openbare ruimte en van de voorzijde van daken wordt afgekoppeld. De gemeente formuleert in de komende planperiode een integrale afkoppelvisie om knelpunten te reduceren en/of ambities te behalen – bijvoorbeeld vanuit afspraken voor de Kaderrichtlijn Water. In deze integrale afkoppelvisie werkt de gemeente een gebieds- wijkgerichte strategie uit voor de omgang van regenwater. In geval van het afkoppelen van het hemelwater ontvangen de particulieren in deze gebieden actief voorlichting over mogelijkheden en de werking van stelsels voor afkoppelen. Daarbij wordt gekeken of afkoppelen gecombineerd kan worden met andere werkzaamheden in de openbare ruimte. Voor de invulling van helder hemelwaterbeleid hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: De gemeente hanteert de volgende voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater (1) Vasthouden en hergebruiken, (2) Infiltreren en (3) Vertraagd afvoeren. De gemeente houdt hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk gescheiden. Hemelwater wordt bij vervangingsprojecten zoveel mogelijk afgekoppeld van gemengde riolering. Inpandige vervlechting van hemelwater en afvalwater en risico’s op foutaansluitingen in de historische delen van Gouda zijn redenen om niet af te koppelen. De kwantitatieve uitgangspunten voor de omgang met hemelwater zijn opgenomen in de paragraaf klimaatadaptatie. 4.1.6Grondwater Voor de gemeente Gouda is grondwater een belangrijk thema. Lage grondwaterstanden kunnen bodemdaling en funderingsschade veroorzaken en hoge grondwaterstand kunnen overlast in kruipruimtes of onbegaanbaarheid van gebieden veroorzaken. De beleidsnota ‘Gouds Grondwater” in het GRP 2019-2023 beschrijft het grondwaterbeleid en vormt het uitgangspunt voor het nieuwe WRP. De omgevingswet (art. 2.16) omschrijft de gemeentelijke grondwatertaak als het treffen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op grond van deze wet aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk behoort. Voor de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen in het bebouwd gebied hanteert de gemeente streefwaarden voor de grondwaterstand voor het openbaar gemeentelijk gebied. Deze streefwaarden zijn geactualiseerd en opgenomen in bijlage II. Uitgangspunt voor de bepaling van streefwaarden van de grondwaterstanden zijn de peilen5 Peilen van het oppervlaktewater (polderpeil of boezempeil) zijn vastgelegd in de peilbesluiten van de waterschappen. Bij hevige neerslag kan de gemeten waterstand in het oppervlaktewater afwijken van de het vastgelegde peil. Als het waterschap een nieuwe peilbesluit neemt, worden de streefwaarden van het grondwater hierop aangepast. van het oppervlaktewater. Figuur 5 Schematische weergave polderpeil, streefpeil grondwater in openbaar terrein en grondwateronder en -overlast op particulier terrein Maximaal grondwaterstreefpeil: In veel gebieden in Gouda ligt het oorspronkelijke maaiveld op 60 cm of meer boven het hoogste peil van het oppervlaktewater. In deze gebieden zou het maaiveld6 De hoogte van het oorspronkelijke maaiveld is de drooglegging (hoogte maaiveld ten opzichte van oppervlaktewater) bij aanleg van de wijk. Omdat de bodem van Gouda zakt, wordt hier niet het huidige maaiveld aanhouden. Wanneer de straten weer opgehoogd worden dan wordt het niveau van oorspronkelijke drooglegging weer bereikt. 25 cm moeten kunnen zakken voordat het grondwater bereikt wordt. In een aantal oudere gebieden van Gouda kan het maaiveld niet opgehoogd worden tot 60 cm boven het hoogste polderpeil, omdat hier panden op staal (bouwjaar tot 1878) aanwezig zijn. Deze panden zakken met de bodem mee en ophoging van het maaiveld zou hier voor wateroverlast zorgen. De streefwaarde van grondwater in openbaar gebied is maximaal 0,15 m boven het polderpeil. Op het moment dat de woningen op staal tot dit niveau gedaald zijn, moeten er grondwaterverlagende maatregelen getroffen worden. We hanteren geen maximale streefwaarden in gebieden met geen of nauwelijks bebouwing. Minimaal grondwaterstreefpeil: Voor gebieden met veel houten paalfunderingen (bouwjaar tussen 1878 en 1949, zie bijlage) is het belangrijk dat de grondwaterstand juist hoog genoeg is. De streefwaarde voor de grondwaterstand is dan -0,20 m onder het laagste polderpeil. In andere gebieden hanteren we geen minimale streefpeil. Een structurele afwijking7 Structureel afwijken van het grondwaterstreefpeil betekent dat meer dan 10 procent van de gemeten grondwaterstanden onder het streefpeil (onderkant bandbreedte) of meer dan 90 procent van de gemeten grondwaterstanden boven het streefpeil (bovenkant bandbreedte), gemeten gedurende één tot maximaal 8 jaar. Bij relatief korte meetreeksen, zoals bij projectpeilbuizen, houdt de gemeente vanwege de relatief korte meetperiode rekening met de meteorologische omstandigheden in deze periode (bijv. bijzonder droog of nat). van het grondwaterstreefpeil met nadelige gevolgen, is voor Gemeente Gouda een signaal om een doelmatige en duurzame inspanning te leveren tot het realiseren van een grondwaterstand binnen de bandbreedte van de maximale en minimale streefpeilen. Nadelige gevolgen zijn bijvoorbeeld een negatieve invloed op het wooncomfort, schade aan funderingen of schade in openbaar gebied of risico op pandschade door scheurvorming in muren. Het realiseren van het streefpeil is geen resultaatsverplichting, omdat dit technisch niet altijd mogelijk is, tot andere grote negatieve effecten leidt en/of tot onevenredige kosten leidt. Voor de invulling van helder grondwaterbeleid hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: De gemeente maakt duidelijk wat de inwoners wel en niet kunnen verwachten van de gemeente. De gemeente is aanspreekpunt, kan maatregelen nemen en bewustwording creëren, maar neemt niet de adviseursrol met bijbehorende verantwoordelijkheden op zich. De gemeente hanteert de onderstaande criteria en uitgangspunten voor grondwateronderlast en -overlast. Voor de overige gebieden gelden geen maximale of minimale streefpeilen. Figuur 6 criteria grondwateroverlast en uitgangspunten maatregelen. (MaS = Maximale streefwaarde grondwater, PP = polderpeil, OD = oorspronkelijke drooglegging, MiS = Minimale streefwaarde grondwater) 4.1.7Kaderplan Bodemdaling Binnenstad Voor de binnenstad van Gouda heeft de gemeente met het Hoogheemraadschap van Rijnland een integraal plan opgesteld waarbij riolering, grondwater en oppervlaktewater in samenhang worden beschouwd8 Kaderplan Bodemdaling Binnenstad (KBB) is al eerder vastgesteld door de raad.. De peilverlaging van het oppervlaktewater zorgt voor vermindering van wateroverlast, maar maakt aanpassingen in de riolering noodzakelijk. De maatregelen voor de riolering zijn in dit WRP overgenomen. De riolering in de binnenstad is vaak verouderd en ligt soms ook op privéterrein of in moeilijk toegankelijke steegjes. Het naar voren brengen van de riolering brengt werkzaamheden en kosten voor de eigenaren met zich mee. De gemeente voert momenteel in de binnenstad een pilot uit met bewoners om te onderzoeken welke aanpak bij vervanging van deze riolering het meest verstandig is. 4.1.8Energietransitie Gouda wil in 2040 aardgasvrij en CO2-neutraal zijn9 Zie ook: Transitievisie Warmte Gouda 2021.. Dit heeft ook gevolgen voor de ondergrond en de openbare ruimte. Voor Middenwillens-West en Plaswijck-kern worden de mogelijkheden voor duurzame warmte als eerste onderzocht. In de planning van de rioolvervanging zal de gemeente ook rekening houden met de nog op te stellen planning van werkzaamheden voor de energietransitie. Denk hierbij aan het combineren van rioolwerkzaamheden en de aanleg van warmtenetten of de verzwaring van het elektriciteitsnetwerk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel