Als de belastingplicht, voortkomend uit artikel 2 onderdeel b, c, d en e, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
Als de belastingplicht, voortkomend uit artikel 2 onderdelen b, c, d en e, in de loop van het belastingjaar eindigt wordt ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
Voor zover de beëindiging van de belastingplicht, voortkomend uit artikel 2, onderdelen b, c, d en e, het gevolg is van een intrekking van de door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, wordt de ontheffing niet eerder verleend dan nadat de beschikking van het college van burgemeester en wethouders onherroepelijk is geworden.
Als een vergunninghouder, van een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2 onderdeel b, parkeerbelasting heeft voldaan voor een belastingjaar of een gedeelte daarvan en als gevolg van de door of met medewerking van het gemeentebestuur getroffen maatregelen, gedurende één of meer in dat jaar of gedeelte daarvan vallende kalendermaanden niet kan parkeren op een parkeerplaats waarop zijn parkeervergunning betrekking heeft, wordt op verzoek ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle kalendermaanden, gedurende welke de vergunninghouder niet heeft kunnen parkeren.
Artikel 10
Bepalingen omtrent aanvang en einde van belastingplicht in de loop van het belastingjaar
Onderdeel van de verordening op de heffing en de invordering van een parkeerbelasting 2012