De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren door het werpen van muntgeld in parkeerapparatuur en/of door middel van het al dan niet elektronisch inwerking stellen van parkeerapparatuur. Van de verschuldigde belasting per tijdseeneheid wordt op of via de parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing kennis gegeven. In afwijking van het hier voorafgaande bepaalde moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen twee maanden na het einde van het parkeren, indien het parkeren aanvangt door middel van het aanmelden bij het centraal register.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving en moet worden betaald binnen 14 dagen na dagtekening van de kennisgeving.
De belasting bedoeld in artikel 2 onderdeel c, d en e wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 7
Wijze van heffing en termijnen van betaling
Onderdeel van de verordening op de heffing en de invordering van een parkeerbelasting 2012