Naar hoofdinhoud

Artikel 3.3

Draagkrachtperiode

Onderdeel van Beleidsregel bijzondere bijstand 2024

We stellen de draagkracht uit inkomen en vermogen in principe voor 1 jaar vast. Dit jaar begint op de 1e van de maand waarin de kosten, waarvoor bijstand wordt gevraagd, ontstaan. De vastgestelde draagkracht wordt bij éénmalige bijzondere bijstand in één keer in mindering gebracht op de vergoeding van noodzakelijke kosten. Gaat het om kosten die iedere maand terugkomen of een combinatie van incidentele en periodieke kosten, dan wordt de berekende draagkracht gelijk verdeeld over deze maanden. Bij inwoners waarvan we verwachten dat het inkomen niet wijzigt, stellen we de draagkrachtperiode vast voor 3 jaar. Bijvoorbeeld mensen met een WIA- of Wajonguitkering of een AOW zonder of met een klein pensioen. Tussentijdse wettelijke verhogingen van het inkomen worden buiten beschouwing gelaten. Mensen in de bijstand hebben geen draagkracht. Voor hen berekenen we geen draagkracht uit inkomen en vermogen. Als er sprake is van wisselende maandelijkse inkomsten, dan wordt voor het vaststellen van het gemiddelde maandinkomen deze inkomsten over de 3 maanden berekend voorafgaand aan het tijdstip waarop de draagkrachtperiode ingaat. De draagkracht wordt gewijzigd als het inkomen of vermogen binnen de draagkrachtperiode meer dan 5 % stijgt of daalt. De gemeente berekent de draagkracht dan opnieuw, vanaf de 1e dag van de maand waarin het inkomen of vermogen gewijzigd is.

Rechtspraak bij dit artikel