Bij een inkomen dat hoger is als de inkomensgrens (130 % van de bijstandsnorm) draagt de burger een deel van zijn inkomen bij aan de kosten (de draagkracht).
Bij het bepalen van de inkomensgrens houdt de gemeente geen rekening met eventuele medebewoners op het adres van de inwoner (kostendelers).
Voor de berekening van het inkomen sluiten we aan bij de Participatiewet. Inkomsten tellen mee als de inwoner daarover beschikt of kan beschikken. Een inwoner kan niet beschikken over inkomsten waarop executoriaal beslag is gelegd of die gereserveerd worden voor schuldeisers, omdat een schuldsaneringsregeling op grond van de Minnelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen of de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijk Personen is uitgesproken.
Inkomsten die de wet vrijlaat bij algemene bijstand, laten we ook vrij bij de bijzondere bijstand. Dat betekent dat die inkomsten niet meetellen bij het bepalen van de draagkracht. Dat geldt ook voor de individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag.
Vrijgelaten inkomsten blijven buiten beschouwing, behalve als het gaat om:
a. huurtoeslag of eigenwoningbijdrage, of een bijzondere bijdrage op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit, en de inwoner vraagt bijzondere bijstand aan voor woonkosten;
b. vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, en voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;
c. giften, voor zover de gemeente dat uit een oogpunt van bijstandverlening niet verantwoord vindt.