In de volgende situaties volgt geen verstrekking van een maatwerkvoorziening door het college:
indien de cliënt zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Woensdrecht heeft;
indien het college door de cliënt niet in staat wordt gesteld om het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet te verrichten;
indien uit het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, niet blijkt dat de maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk is, behoudens kortdurende huishoudelijke ondersteuning.
Indien de maatwerkvoorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht.
indien er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen;
voor zover de melding niet tijdig is gedaan en/of voor zover de melding betrekking heeft op een oplossing of kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk is, tenzij het college voorafgaand aan de aankoop hiervan in kennis is gesteld dan wel dat er sprake was van een spoedeisend karakter;
indien cliënt geen budgetplan indient.
Bij woningaanpassingen gelden naast de weigeringsgronden in het eerste lid, de volgende situaties waar er geen verstrekking van een maatwerkvoorziening door het college volgt:
er sprake is van een voorziening in gemeenschappelijke ruimten in die (woon)gebouwen die zijn aangemerkt als woongebouw voor gehandicapten, minder validen en ouderen;
de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van sociale woningbouw;
een woningaanpassing wordt aangevraagd waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat er sprake is van renovatie;
de ondervonden objectief aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de gebruikte materialen;
de noodzaak tot het treffen van een woningaanpassing het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van functionele beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment dan wel redelijkerwijs te verwachte beperkingen meest geschikte woning, tenzij het college hier voorafgaand aan de verhuizing van in kennis is gesteld en hierover heeft geadviseerd;
er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de cliënt bewoonde woning;
de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.
Artikel 10
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2024