Op de berekende normatieve parkeerbehoefte inclusief eventueel dubbelgebruik en saldering zijn reducties mogelijk dan wel verplicht. Deze mobiliteitscorrectie leidt tot een lagere parkeereis.
HOV-correctie (stap 3a)
De bereikbaarheid van een plan wordt onder andere bepaald door de aanwezigheid van OV. HOV betekent snel, hoogfrequent, betrouwbaar en comfortabel OV. In Eindhoven wordt dat naast de twee stations aangeboden op het HOV-netwerk waar de bus zoveel mogelijk over vrije infrastructuur beschikt en prioriteit bij verkeerslichten krijgt. Het centraal station is de multimodale knoop van de stad met frequente verbindingen naar treinstations in de regio en naar andere steden van het land. Op de overige HOV-haltes geldt een minimum frequentie overdag van 4x per uur.
Het aandeel van het OV is hoger bij functies die nabij hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) liggen dan op locaties waar geen of beperkt OV aanwezig is. De aanwezigheid van HOV heeft daarom invloed op de behoefte aan parkeerruimte. Functies in de ruime omgeving van Eindhoven Centraal profiteren van de kwaliteit van het centraal station in de nabijheid. Station Strijp-S en busstation WoensXL zijn de twee andere knooppunten in het OV-netwerk van Eindhoven met een kleiner invloedsgebied.
Eindhoven streeft er naar zo veel mogelijk te verdichten in de buurt van HOV-locaties. Op de verdichtingslocaties is de mobiliteitstransitie essentieel, waar ook een lagere parkeercapaciteit aan bijdraagt. Op grond hiervan is een HOV-correctie van toepassing. Deze is gekoppeld aan de ligging van een ontwikkeling in de buurt van het HOV-netwerk. De reducties zijn als volgt:
HOV-correctie
reductie
afstand (hemelsbreed)
Eindhoven Centraal
50%
binnen 800 m
station Strijp-S en busstation WoensXL
25%
binnen 600 m
overige HOV-haltes
25%
binnen 400 m
Een ontwikkelende partij hoeft geen maatregelen te nemen om in aanmerking te komen voor de reductie. De HOV-correctie is verplicht als een plan binnen de genoemde afstand wordt gerealiseerd.
Inzet deelmobiliteit (stap 3b)
De parkeerbehoefte kan ook lager worden als een plan voorziet in alternatief vervoer. Dit is geen verplichting maar beleidsmatig wenselijk, zeker in grotere (verdichtings)plannen. Een reductie is bij woonfuncties mogelijk op basis van de inzet van deelauto’s en/of de inrichting van een mobiliteitshub met meerdere vervoersopties binnen de acceptabele loopafstanden volgens bijlage 6.
Deelauto
Een deelauto is een auto die gebruikt wordt door meerdere gebruikers. Zo is het mogelijk over een auto te beschikken zonder er zelf een te bezitten. Het delen van een auto kan informeel gebeuren binnen de sociale kring, tussen particulieren (veelal via internetplatforms) en er zijn commerciële aanbieders van deelauto’s waar via een abonnement gebruik van gemaakt kan worden.
Mobiliteitshub
Een mobiliteitshub brengt mobiliteitsvormen samen op één plek. Deze moet door iedereen te gebruiken en toegankelijk zijn. De hub moet verschillende soorten deelvervoer aanbieden zoals een elektrische fiets of een (elektrische) bakfiets en herkenbaar zijn door toepassing van de landelijke hub-identiteit. Het plan moet voorzien in de benodigde (stallings)ruimte voor het vervoeraanbod in de hub. Een mobiliteitshub die (al dan niet naast een of meerdere deelauto’s) voorziet in een mix van in ieder geval deelfietsen, deelscooters en deelbakfietsen met minimaal 6 deeltweewielers, vervangt (bovenop de correctie voor de deelauto) maximaal 4 parkeerplaatsen met een maximum van 20% van de parkeerbehoefte.
Nieuwe vervoerconcepten
De markt voor mobiliteit is continu in beweging. Er komen nieuwe mobiliteitsdiensten op de markt en er worden nieuwe vervoersconcepten uitgeprobeerd, zoals free-floating deelauto’s. Dergelijke nieuwe mobiliteit kan ook invloed hebben op de behoefte aan parkeergelegenheid. Indien een planontwikkeling een slim mobiliteitsconcept heeft, dat onderbouwd effect heeft op de parkeerbehoefte, dan wordt de mogelijkheid geboden hier ook een mobiliteitscorrectie op toe te passen. In een mobiliteitsplan moet de nieuwe mobiliteitsdienst worden uitgewerkt. Of de correctie reëel is en wat de exacte reductie dan is, wordt bepaald door de gemeente (maatwerk).
Reductiefactoren
De inzet van deelmobiliteit leidt tot een lagere parkeerbehoefte. Een onderbouwing voor de reducties bij het toepassen van een deelauto is weergegeven in bijlage 9 en 10. De correctie voor de mobiliteitshub is gebaseerd op de mobiliteitshubs in een duurzame wijk in Eindhoven waar deze vorm van mobiliteit breed is ingevoerd. Deze stap volgt na de reductie op basis van de aanwezigheid van HOV in de omgeving van het plan. De reductiefactoren zijn als volgt:
deelauto
correctie per deelauto
plafond (na HOV-correctie)
centrum
max. 10 parkeerplaatsen
100% van parkeerbehoefte bewoners
schilwijk
max. 7 parkeerplaatsen
40% van parkeerbehoefte bewoners
restgebied
max. 4 parkeerplaatsen
20% van parkeerbehoefte bewoners
Buiten het centrum is toepassing van deze correctie beperkt tot een deel van de parkeereis ten einde zorg te dragen voor een passende mobiliteitsoplossing. Voorkomen moet worden dat de eindgebruikers bij onvoldoende belangstelling voor het deelvervoersaanbod alsnog in de omgeving parkeren. In de schilwijken en zeker in de rest van de stad zijn er minder of geen geschikte mogelijkheden om dit uitwijkgedrag te voorkomen. Op grond hiervan is de mobiliteitscorrectie hier ingeperkt tot de genoemde 40% in de schilwijk en 20% in het restgebied.
mobiliteitshub
correctie per 6 deeltweewielers
plafond (na HOV-correctie)
alle gebieden
max. 4 parkeerplaatsen
20% van parkeerbehoefte bewoners
nieuwe concept
correctie per 6 deeltweewielers
plafond (na HOV-correctie)
alle gebieden
maatwerk
maatwerk
Borging
Voor deze mobiliteitscorrectie is borging van de alternatieve mobiliteitsdiensten een vereiste. Bij inzet van deelauto’s en/of mobiliteitshub is een mobiliteitsplan vereist waarin wordt onderbouwd hoe de mobiliteitsoplossing tot stand wordt gebracht en duurzaam beschikbaar blijft. Hierbij wordt ook een intentieverklaring van een aanbieder van deelmobiliteit verlangd. Binnen drie maanden na oplevering van het plan moeten de deelauto’s beschikbaar zijn. De ontwikkelende partij meldt dit aan de gemeente en moet verder bij de aanbieder van deelmobiliteit bedingen dat deze het gebruik ervan jaarlijks aan de gemeente rapporteert.