Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.8

OCB-verontreinigingen voormalige boomgaarden

Onderdeel van Nota bodembeheer 2023, Beleidsnota PFAS en bijbehorende kaarten

Ter plaatse van voormalige boomgaarden kan de bodemkwaliteit afwijken als gevolg van de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, waaronder DDT, DDD en DDE. Vooral in boomgaarden van de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werden veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Huidige of voormalige boomgaarden die ook in de periode tussen 1945 en 1975 in gebruik waren als boomgaard, moeten worden aangewezen als verdachte locaties. In bebouwde gebieden worden bestrijdingsmiddelen vrijwel niet meer teruggevonden als gevolg van uitgevoerd grondverzet. De bestaande boomgaarden in het landelijk gebied zijn echter heterogeen verontreinigd, waarbij volgens eerder onderzoek op sommige locaties de interventiewaarde wordt overschreden. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de geïnventariseerde boomgaarden die als verdacht worden beschouwd. Als een locatie verdacht is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Dit om vast te stellen of er sprake is van een lokaal geval van bodemverontreiniging. Als de hypothese dat de locatie verdacht is voor verontreiniging met bestrijdingsmiddelen wordt verworpen, en de bodem dus niet verontreinigd is, dan mag grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart plaatsvinden. Het onderzoek is noodzakelijk bij grondverzet van en naar locaties die vallen binnen of binnen een straal van 25 meter van de boomgaardpercelen vermeld op kaartbijlage 3. Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaarden ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m-mv) aangemerkt als verdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’s) om de mate van verontreiniging vast te stellen.

Rechtspraak bij dit artikel