Onze geschiedenis is onderverdeeld in een aantal tijdvakken en periodes (fig. 2.3). In al deze periodes hebben mensen in ons gebied rondgelopen, gewoond en gewerkt. Binnen onze gemeente zijn dan ook mooie voorbeelden van vondsten en vindplaatsen bekend. Sommigen hiervan zijn zeer uniek en bijzonder. Andere vormen een puzzelstukje in de steeds completer wordende puzzel van ons verleden.
Fig. 2.3. Overzicht van de archeologische periodes.
Heel oud vuursteen
De geschiedenis in onze gemeente gaat heel ver terug. Al ver voor de laatste ijstijd kwamen hier mensen, op zoek naar voedsel en een goede plek om te wonen. Het was een afwisselend landschap dat veel kansen bood, en dat trok mens en dier aan. De oudste vondsten die op de aanwezigheid van mensen duiden, gaan al meer dan 100.000 jaar terug. Het gaat hierbij dan om vuursteenvondsten. Tot op heden zijn vindplaatsen uit het Paleolithicum nog niet bekend uit opgravingen, maar wel uit vondstmeldingen. Zo lijkt er een bijzondere laat-paleolithische vindplaats even boven Oeffelt liggen. Ongeveer 35.000 jaar geleden moeten hier mensen hebben gewoond. Gelijkaardige vindplaatsen zijn vooralsnog alleen bekend uit Frankrijk en Zuid Oost Engeland.
Fig. 2.4. 100 tot 150.000 jaar oude vuistbijl gevonden te Overloon.
Foto: D. Reijnen.
Ons oudste graf
Na de laatste ijstijd, begint de midden steentijd. Hiervan is al een klein aantal vindplaatsen in onze gemeente bekend uit opgravingen. Hierbij gaat het dan om concentraties vuursteen die er op duiden dat mensen dit materiaal bewerkten om allerlei gebruiksvoorwerpen van te maken. Het merendeel van deze vondsten is zeer klein, passend bij de min of meer nomadische leefwijze van deze jagers en verzamelaars.
Heel bijzonder is de vondst van een graf uit deze periode. Het betreft een klein crematiegrafje dat is gevonden tijdens een grote opgraving in Haps. Het bestond uit wat verbrand bot, wat hazelnootdoppen en vuursteen. Graven uit deze periode zijn zeer zeldzaam. Helemaal bijzonder aan het graf uit Haps is dat het het oudst bekende graf uit Nederland lijkt te zijn. De overledene zal ongeveer 10.000 jaar geleden zijn gecremeerd en begraven.
Fig. 2.5. Impressie van de begrafenis van de persoon in het oudste graf van Nederland.
Tekening: K. Wilson.
Wonen en begraven in de Bronstijd en de IJzertijd
Dat de glooiende terrassen in ons gebied een geliefde plek waren om te wonen blijkt ook uit diverse opgravingen in Cuijk, Boxmeer maar vooral uit Haps. De opgravingen waarbij het beroemd huistype is aangetroffen, zijn al uitgevoerd in de jaren ’60 van de vorige eeuw. De afgelopen jaren zijn nog twee grote onderzoeken uitgevoerd ter hoogte van het industrieterrein van Haps.
Bij alle drie de opgravingen zijn zowel resten van nederzettingen als grafvelden aangetroffen. De graven werden gemarkeerd door grote en kleinere grafheuvels waarvan tijdens de opgraving alleen nog de omringende greppel zichtbaar was. De graven zelf bestonden uit crematieresten die soms in een urn waren geplaatst. Rondom de grafvelden zijn veel resten van nederzettingen aangetroffen. Nederzettingen van mensen die hun doden in de grafvelden hebben bijgezet.
Deze drie opgravingen geven een geweldig beeld van een bewoningsgeschiedenis die meer dan 1000 jaar omvat. Door de omvang van de opgravingen wordt deze geschiedenis in steeds groter detail duidelijk en kunnen de resultaten van andere onderzoeken hier mee worden vergeleken om nog meer duidelijk te maken.
Fig. 2.6. Restant van een pot met daarin crematieresten uit een van de grafheuvels in Haps. Bron: Hos 2023, 14, fig. 9.
De Romeinse tijd in Land van Cuijk
Voor veel mensen is de Romeinse tijd in Nederland dé periode die het meest tot de verbeelding spreekt. Ongeveer 2000 jaar geleden kwam ons gebied onder de Romeinse overheersing te liggen en ook in het grondgebied van Land van Cuijk hebben de Romeinen hun sporen nagelaten. Hierbij neemt het centrum van Cuijk een bijzondere positie in. Al vrij vroeg in de Romeinse tijd zullen hier Romeinse soldaten zijn geweest. Vermoed wordt dat hier een legerkamp werd opgericht. Of dit er daadwerkelijk is geweest en wat precies de vorm en de functie was, is niet bekend. Wel is zeker dat vlakbij de locatie van het legerkamp een zogenaamde vicus werd gesticht, de vicus Ceuclum. Dit dorpje lag langs de doorgaande weg tussen Tongeren en Nijmegen, waarvan een heel groot deel door onze gemeente loopt. De weg is al meerdere keren tijdens archeologische onderzoeken aangesneden (fig. 2.7), maar vooral ook door leden van de Werkgroep Archeologie Cuijk in kaart gebracht, waardoor we de weg nu vanaf Linden tot net boven Beugen kunnen volgen.
Fig. 2.7. Het tracé van de Romeinse weg in Land van Cuijk. De harde lijn representeert het onderzoek van de Werkgroep Archeologie Cuijk, waarbij de weg daadwerkelijk is aangesneden. Het gestippelde deel betreft de vermoedelijke loop van de weg.
In de Laat Romeinse tijd, een periode waarin dit deel van het Romeinse rijk te kampen heeft met veel politieke en militaire problemen, wordt in het centrum van Cuijk een groot, in steen uitgevoerd legerkamp gebouwd. Het legerkamp dient als steunpunt voor de forten langs de Romeinse rijksgrens, die verder naar het noorden lag. Vanuit het fort, konden soldaten via een brug over de Maas richting de rijksgrens vertrekken om daar ondersteuning te bieden. De bevoorrading van het fort zal zowel over de weg als over het water zijn gegaan, waarbij schepen in een haven zullen hebben aangelegd. De combinatie van het legerkamp, brug en haven zijn uniek te noemen.
Bijzonder is ook de relatie van de bewoners en het leger in Cuijk met de omliggende nederzettingen. Inmiddels zijn in de directe omgeving van het centrum van Cuijk enkele Romeinse nederzettingen bekend en ook verder naar het westen en zuiden zijn dergelijke kleine woonplaatsen van niet meer dan twee of drie gelijktijdige boerderijen bekend. Deze nederzettingen werden bevolkt door de inheemse bevolking, die, ondanks het feit dat ze regelmatig met de Romeinse cultuur in aanraking kwamen, veelal vasthielden aan hun eigen tradities en gebruiken. De verschillen tussen de bewoners uit Ceuclum en de andere nederzettingen zien we onder andere terug in de vorm van de huizen en in de graven van de mensen. In Ceuclum woonde men in grotendeels stenen gebouwen met een pannendak en hieromheen woonden mensen in houten boerderijen waarbinnen ook het vee werd gehouden. De graven van de mensen in het ‘buitengebied’ waren relatief eenvoudig uitgevoerd en voorzien van enkele stukken vaatwerk of andere objecten, terwijl de graven van de mensen uit Ceuclum zeer rijk waren uitgevoerd en veel luxueuze bijgiften bevatten, zoals we kunnen zien in het grafveld aan de Grotestraat.
Fig. 2.8. Onderzoek van een rijk Romeins graf aan de Grotestraat in Cuijk. Foto: T. van der Zanden.
Nieuwe binnenkomers en een moeilijk grijpbare periode
In de nadagen van het Romeinse rijk zullen in ons gebied al nieuwe mensen van ‘boven de rivieren’ zijn komen wonen. Hiervoor vinden we steeds meer aanwijzingen in de vorm van andere soorten aardewerk, gebouwen en ook begravingen. Vanaf de 5de eeuw spreken we van de Merovingische tijd, het begin van de Middeleeuwen. Tot op heden zijn uit deze periode slechts enkele vindplaatsen in Escharen, Cuijk, Beugen en Boxmeer bekend (fig. 2.9). Het gaat hierbij dan in de meeste gevallen om graven of grafvelden, waarbij de doden werden begraven in kisten en niet meer werden gecremeerd.
Na de Merovingische periode zullen nog zeker mensen in het gebied hebben gewoond, maar hun nederzettingen zijn tot nog toe niet gevonden.
Fig. 2.9. IJzeren Merovingische ingelegde gesp uit een graf in Escharen en nu te vinden in het Stadsmuseum Grave.
Foto: J. van Kampen.
De Volle en Late Middeleeuwen, het begin van Land van Cuijk
Het gebied dat we nu Land van Cuijk noemen kent als zodanig een lange geschiedenis. Al aan het einde van de 11de eeuw komt de naam Hendrick van Kuyc voor het eerst voor in de historische geschriften. Alles wijst erop dat deze heer van Cuijk en zijn directe nakomelingen tot de hoogste kringen van de toenmalige maatschappij behoorden. Ze bezitten dan een burcht in Cuijk, die, getuige de verhalen, slechts een gelijke burcht kent te Geldermalsen, alwaar de Heren van Cuijk hun oorsprong kennen. Echter, in 1133 wordt de burcht verwoest als wraak van de Graaf van Holland op de moord van Floris de Zwarte, de broer van de Graaf, door de Heren van Cuijk in het jaar daarvoor.
De gevolgen van de moord zijn vrij groot voor de status van het geslacht van Cuijk, maar door wat geluk en toeval, lukt het de heren om een groot deel van hun macht en status te herpakken en ze vestigen zich in Grave, van waaruit ze het Land van Cuijk voor de komende twee eeuwen besturen.
Fig. 2.10. Archeologisch onderzoek van een grote pot uit de 13de eeuw in Grave. Foto: J. van Kampen
De uitzonderlijk hoge status van de Heren van Cuijk, maakt het een zeer intrigerend en beroemd (zeker in hun eigen tijd) geslacht en het spreekt dan ook voor zich dat de bewoners in het Land van Cuijk in meer of mindere mate met deze adel te maken moeten hebben gehad. Tot op heden zijn in onze gemeente, met uitzondering van de stad Grave (fig. , echter nauwelijks onderzoeken uitgevoerd waarbij resten uit de Middeleeuwen zijn aangetroffen. Deels is dit het gevolg van het feit dat veel van onze kernen ook in de Middeleeuwen al bewoond waren en dat nog steeds zijn. Omdat in deze kernen ontwikkelingen niet vaak voorkomen of juist kleinschalig zijn, blijven de archeologische resten onzichtbaar of verdwijnen ongezien tijdens relatief kleine ingrepen. Vanwege het grote belang van deze periode voor onze gemeente is dit dus een groot aandachtspunt voor toekomstig onderzoek. Met het opstellen van ons archeologiebeleid zijn hierin al de eerste mooie ontdekkingen gedaan en is onze gemeente in een keer twee mogelijke kastelen rijker.2Deze kastelen zijn ontdekt bij het bestuderen van diverse hoogtekaarten. De feitelijke resten liggen dan ook nog ongezien in de grond. Het eerste bevindt zich direct ten zuiden van kasteel Tongelaar. Hier lijkt de vroeg- en volmiddeleeuwse motteburcht (verstevigde woontoren op een kunstmatige omgrachtte heuvel) in de ondergrond aanwezig te zijn (fig. 2.11). De Tongelaar was een van de kastelen van de Heren van Cuijk. Of deze voorganger ook aan hen moet worden toegeschreven of aan andere lokale machthebbers, zal onderzoek moeten uitwijzen.
Fig. 2.11. Veronderstelde locatie van de voorganger van het huidige kasteel Tongelaar op een luchtfoto. Het betreft hier een ronde verhoging, met hieromheen een laagte, vermoedelijk de gracht.
Bron: www.AHN.nl
Het tweede kasteel dat is ontdekt ligt in Boxmeer, even ten noorden van het huidige kasteel (fig. 2.12). Oorspronkelijk behoorde Boxmeer en de omliggende gebieden ook tot het grondgebied van de Heren van Cuijk, maar zijn hebben dit op een gegeven moment verkocht, waarna Boxmeer een eigen heerlijkheid werd. Het gebied is dan ook onlosmakelijk verbonden met de Heren van Cuijk, eerst als bezit en daarna als buren. Hoe het nieuw ontdekte kasteel zich verhoudt tot het bekende kasteel zal in de toekomst moeten blijken.
Fig. 2.12. Hoogtebeeld van het veronderstelde ontdekte kasteel in Boxmeer. In het patroon zijn duidelijk de locatie van de grachten, de voorburcht en de locatie van de hoofdburcht te herkennen.
Bron: www.AHN.nl
We lijken al veel te weten, maar er is veel meer dat we niet weten dan wel. En vaak blijkt ook dat wat we dachten na onderzoek toch anders te zijn (fig. 2.13). Met elk nieuw onderzoek komen er stukjes informatie boven water die helpen de puzzel van ons verleden verder te completeren. Deze stukjes vormen niet alleen de basis voor het wetenschappelijke onderzoek, maar ook voor de verhalen die we mee willen geven aan onze bewoners en de toeristen die onze gemeente komen bezoeken en zijn dan ook van grote waarde.
Fig. 2.13. Archeologisch onderzoek bij een tot dan toe onbekende en dus onverwachte stadsmuur van Grave.
Foto: E. van Alem.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.5
Enkele bijzonderheden uit ons lokale verleden
Onderdeel van Beleidsnota archeologie Land van Cuijk 2024