Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.4

Het archeologisch proces: zinvol onderzoek

Onderdeel van Beleidsnota archeologie Land van Cuijk 2024

De kern van het archeologiebeleid is duurzaam behoud van relevante archeologische resten opdat latere generaties met nieuwe vragen en nieuwe technieken tot nieuwe en gedetailleerdere inzichten kunnen komen. Duurzaam behoud kan het best gerealiseerd worden door archeologische resten, onder onveranderende, stabiele condities in de grond te laten zitten. Dit is echter niet altijd mogelijk, waardoor het behoud gerealiseerd dient te worden middels een opgraving. Voordat het tot een opgraving komt, zal eerst moeten worden bepaald of er sprake is van een archeologische vindplaats en of deze behoudenswaardig is. Om dit mogelijk te maken is een systeem van checks and balances ingericht, en een getrapt onderzoeksmethode: de AMZ-cyclus (fig. 3.3). De AMZ-cyclus is ontstaan via de SIKB, een netwerkorganisatie waar zowel bodem, water als archeologisch onderzoek geregeld wordt via praktijkgerichte kwaliteitsrichtlijnen. In de SIKB werken diverse overheden en het bedrijfsleven samen. Bij die laatste groep zitten bijv. archeologische onderzoeksbureaus, maar ook de vertegenwoordigers van de grote project- en gebiedsontwikkelaars in Nederland. Hierdoor is de AMZ-cyclus een compromis tussen alle belangen en ook algemeen aanvaard. De AMZ-cyclus doorloopt drie fasen: de inventariserende fase, een besluit en daaruit volgende maatregelen. In de inventariserende fase kunnen diverse elkaar opvolgende onderzoeken uitgevoerd worden die alle moeten leiden tot het vaststellen of er sprake is van archeologische waarden in een gebied, en een waardestelling die moet aangeven of de aangetroffen archeologie behoudenswaardig is, of niet. Die waardestelling is essentieel en vormt de basis voor het selectieadvies (door een gecertificeerd archeologisch adviesbureau, namens de initiatiefnemer) aan de overheid. Op basis van het uitgebrachte selectieadvies kan de gemeente dan een besluit nemen. Dit wordt het selectiebesluit genoemd. Hiermee geeft de gemeente aan hoe er met de aanwezige archeologie omgegaan dient te worden. Dit kan betekenen dat er geen verder onderzoek meer nodig is, of dat er na planaanpassingen verder gegaan kan worden met de ontwikkeling. Als behoud in situ niet kan, dan kan er ook gekozen worden alle archeologische resten op te graven (behoud ex situ). Dit alles maakt van elk project maatwerk. Op het moment dat verder onderzoek niet nodig is omdat een vindplaats volledig is opgegraven of omdat uit het onderzoek blijkt dat in de ondergrond geen behoudenswaardige vindplaats aanwezig is, zal middels het selectiebesluit de dubbelbestemming archeologie worden verwijderd van het plangebied. Het selectiebesluit wordt door het college van burgemeester en wethouders genomen. Deze besluiten met betrekking tot de selectie van vindplaatsen voor hetzij behoud in situ hetzij een opgraving, zijn gebaseerd op inhoudelijke argumenten en overwegingen. De argumenten voor deze besluiten moeten blijken uit het uitgevoerde (voor)onderzoek. Zonder (voor-)onderzoek kan geen besluit worden genomen over de omgang met archeologie. De taak van de gemeente is door middel van een planologische afweging te streven naar behoud in situ, niet om aan te geven of de wetenschap voldoende kennis heeft opgedaan over bepaalde onderdelen van ons verleden, zo dat al zou kunnen. De overwegingen tot behoud in of ex situ volgen een systematiek waarbij wordt vastgesteld in hoeverre een archeologische vindplaats behoudenswaardig is. Hierbij zijn toetsbare criteria als kwaliteit, zeldzaamheid en informatiewaarde van de archeologische resten alsmede de gevolgen van een ontwikkeling voor deze resten leidend.

Rechtspraak bij dit artikel