Naar hoofdinhoud
Het subsidieplafond wordt jaarlijks door het college vastgesteld. Het subsidieplafond baseert zich grotendeels op de specifieke uitkering GOAB van dat jaar. Er wordt maximaal 70% van het GOAB-budget ingezet voor de uitvoering van deze subsidieregeling. Daarnaast worden de middelen van het Rijk voor reguliere peuters van niet-kinderopvangtoeslaggerechtigde ouders en eigen middelen uit het gemeentefonds ingezet. Het college kan tussentijds de hoogte van het subsidieplafond wijzigen, mocht daartoe aanleiding bestaan. Bij de verdeling van de variabele groepssubsidie voor kwaliteit van VE wordt een prioritering aangehouden. Bestaande locaties en groepen waarvoor houders het jaar daarvoor al variabele groepssubsidie voor kwaliteit van VE kregen, krijgen in principe voorrang boven nieuwe locaties en groepen. Houders die nog geen variabele groepssubsidie voor kwaliteit van VE krijgen, maar een aantoonbare wachtlijst met doelgroeppeuters hebben, krijgen eveneens voorrang.

Rechtspraak bij dit artikel