Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.6

Artikel 4.6.3

Doorwerking naar nieuw gemeentelijk beleid

Onderdeel van Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (gemeentelijke herindeling 2014)

Uit de bestemmingsplannen van Heerenveen en Boarnsterhim blijkt een duidelijke keuze om agrarische nevenfuncties toe te staan. Het kan voor agrarische bedrijven een mogelijkheid zijn om in plaats van schaalvergroting – wat vooral in bepaalde landschapstypen niet altijd haalbaar is – te kiezen voor taakverbreding. Wij stellen voor om deze beleidskeuze in de nieuwe gemeente te continueren en daarbij binnen de provinciale kaders maximale ruimte te bieden voor taakverbreding. Hierbij is uitgangspunt om zoveel mogelijk bij ‘direct recht’ toe te staan, dus zonder dat er sprake is van een voorafgaande belangenafweging en besluitvorming. Dit is een uitvloeisel van het dereguleringsbeleid vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Heerenveen op 11 juni 2012. In het geldende bestemmingsplan uit 2007 was daar uiteraard nog geen rekening meegehouden en dat geldt uiteraard ook voor het bestemmingsplan uit Boarnsterhim uit 2008. De ruimte die Boarnsterhim bood, is te ruim om als direct recht en zonder voorafgaande belangenafweging in het beleid op te nemen. Het aan de andere kant volstaan met activiteiten die alleen zonder belangenafweging kunnen worden toegestaan, vormt een (onnodige) beperking van mogelijkheden. Om hieraan tegemoet te komen, wordt een ‘tweetrapsraket’ voorgesteld. Op grond daarvan worden nevenactiviteiten die een bepaalde omvang niet te boven gaan bij direct recht toegestaan. Voor nevenactiviteiten die deze omvang te boven gaan is een voorafgaande toetsing en belangenafweging noodzakelijk. Deze nevenactiviteiten worden dan ook aan een afwijkingsbevoegdheid gekoppeld. Deze benadering staat wellicht op gespannen voet met het raadsbesluit van 11 juni 2012. Daar kan echter tegen worden ingebracht dat het niet opnemen van deze afwijkingsbevoegdheden juist kan leiden tot meer buitenplanse afwijkingsprocedures. Bovendien is er dan meer mogelijk dan in het bestemmingsplan is opgenomen en daarmee wordt afbreuk gedaan aan de rechtszekerheidsfunctie van het bestemmingsplan. Voorgesteld wordt om de volgende ‘agrarische nevenfuncties’ toe te staan, hetzij bij recht, hetzij bij nadere afweging. Dat laatste wil zeggen dat de toelaatbaarheid afhankelijk is van de vraag in hoeverre andere belangen onevenredig worden geschaad. Daartoe worden ook de criteria benoemd waaraan getoetst moet worden. soort ‘neventak’ ‘direct recht’ ‘bij nadere afweging’ consumptieverkooppunt max. 50m² max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a) logiesverstrekking (d) max. 100m² beroepsuitoefening-aan-huis ca max. 100m² n.v.t. detailhandel in bedrijfs-/streekeigen producten max. 50m² max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (b) opslag vaar- en voertuigen max. 500m² max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a) mestvergisting n.v.t. (c) africhten, verzorgen en onderbrengen van dieren max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen n.v.t. niet-agrarische bedrijfsactiviteiten of agrarische hulpbedrijven n.v.t. max. 30% vangezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a) volgens staat van bedrijven (e) ruimten ten behoeve van dagrecreatievevoorzieningen max. 100m² max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a) verwerking- en bewerking van bedrijfseigen agrarische producten max. 100m² max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a) Landschapsbeheer max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen n.v.t. Zorgfunctie max. 100 m² max. 30% van gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen (a) afwegings- en toetsingscriteria: geen onevenredige afbreuk aan: woonsituatie, milieusituatie, verkeersafwikkeling èn ondergeschikt onderdeel van agrarische bedrijfsvoering (cumulatief); afwegings- en toetsingscriteria: geen onevenredige afbreuk aan: woonsituatie, milieusituatie, verkeersafwikkeling, winkelapparaat in de kernen èn ondergeschikt onderdeel van agrarische bedrijfsvoering (cumulatief) afwegings- en toetsingscriteria: alleen binnen het bouwperceel, geen onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven; in hoofdzaak alleen mest en/oforganische (bij)producten van het eigenbedrijf, al dan niet aangevuld met mest en/of organische (bij)producten van andere bedrijven; de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken ten behoeve van de (bedrijfseigen) mest- en/of organische (bij)productvergisting ten hoogste 2500 m²; de hoogte van een mest- en/of organische (bij)productvergistingsinstallatie ten hoogste 10 m; gelegen aan een weg, die berekend is op zwaar verkeer en geen onevenredige afbreuk aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; behoeft geen onderdeel uit te makenvan bedrijfswoning en mag ookin een bedrijfsgebouw ondergebracht worden; zoals opgesomd in bijlage 2 Tabel 3. Nevenfuncties bij agrarische bedrijven De lijst van toegestane niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de bestaande lijsten uit de geldende bestemmingsplannen waarbij gekozen is voor bedrijven in de categorieën 1 en 2, die geen verkeersaantrekkende werking hebben èn die als niet- industrieel kunnen worden aangemerkt of die een duidelijke relatie hebben met de agrarische functie. In de lijst komen ook enkele bedrijven voor die genoemd worden onder categorie 3.1. Die worden toch inpasbaar geacht omdat ze een duidelijk relatie hebben met de agrarische functie en/of die vanwege de beperkte omvang qua invloed op de omgeving als bedrijf in categorie 2 kunnen worden aangemerkt. In deze opsomming komen overigens ook functies voor die geur- of milieuhindergevoelig kunnen zijn en waarvan de vestiging op een agrarisch bedrijf consequenties kan hebben voor de bedrijfsvoering (Wet Milieubeheer, Activiteitenbesluit, Wet Geurhinder en Veehouderij). Dit heeft echter geen rol gespeeld bij de selectie van toegestane nevenactiviteiten. Er wordt van uitgegaan dat de betrokken ondernemer dit aspect meeweegt bij de keuze voor een bepaalde nevenactiviteit en de plaats op het bedrijf waar deze activiteit wordt ondergebracht.

Rechtspraak bij dit artikel