1. De gemeente merkt de lening bedrijfskapitaal als direct opeisbaar aan wanneer:

a. de zelfstandige de terugbetalingsverplichtingen niet nakomt;

b. de zelfstandige zijn bedrijf of beroep geheel of gedeeltelijk overdraagt of beëindigt;

c. er sprake is van surseance van betaling of faillissement van de zelfstandige, van één van de vennoten of leden waarmee het bedrijf of zelfstandig beroep in een samenwerkingsverband wordt uitgeoefend, of van de rechtspersoon;

d. er sprake is van curatele van de zelfstandige, of bij onderbewindstelling van het vermogen van de zelfstandige en/of het bedrijf;

e. de zelfstandige het bedrijfskapitaal niet besteedt aan de overeengekomen bestemming;

f. de zelfstandige komt te overlijden.

2. Terug- en invordering vindt plaats bij de zelfstandige en/of diens partner, als deze partner bij de bijstand is inbegrepen.

Artikel 4: Rente- en aflossingsverplichtingen bedrijfskapitaal

1. De gemeente stelt de aflossing van het verstrekte bedrijfskapitaal vast op basis van de looptijd van de geldlening en kan hierbij rekening houden met de aflossingscapaciteit van de zelfstandige.

2. De gemeente stuurt maandelijks een betalingsherinnering met vermelding van het maandbedrag, inhoudende de rente- en aflossingsverplichting.

3. Wanneer de zelfstandige niet aan de rente- en aflossingsverplichtingen voldoet, zal de gemeente de zelfstandige, als dit nodig is, schriftelijk aanmanen.

4. De gemeente kan contact opnemen met de zelfstandige.

5. Als de zelfstandige ook na een aanmaning niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet, gaat de gemeente direct over tot terugvordering van de openstaande vordering plus achterstallige rente.