7.1.1.1Algemeen: riolering binnen het ontwerpproces
Riolering en watertaken
De rioleringszorg (gemeentelijke watertaken) omvat de inzameling en het transport van afval- (DWA) en hemelwater (HWA) en het in het openbare gebied treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Ontwerp en beheer van de riolering zijn van cruciaal belang voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in Neder-Betuwe en de regio. Voor een goede rioleringszorg is het van belang dat we bij de inrichting van het te ontwikkelen stedelijk gebied (uitleggebieden, inbreidingen en herstructurering bestaand stedelijk gebied) de belangen vanuit de gemeentelijke watertaken waarborgen.
Klimaatadaptatie
Klimaatadaptatie is het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en inspelen op de gevolgen hiervan op de (toekomstige) openbare ruimte. We streven ernaar om in 2050 de gehele openbare ruimte klimaatbestendig en water robuust te hebben ingericht. De uitgangspunten en randvoorwaarden van het klimaatadaptatiebeleid zijn geïntegreerd in het Gemeentelijk RioleringsPlan en vanaf 2024 in het Programma Water en Riolering. Er is een logisch verband tussen het riolerings- en klimaatbeleid. Daar waar het rioleringsbeleid is gefundeerd op het landelijk algemeen toegepaste uitgangspunten, bijvoorbeeld het rekenen met gestandaardiseerde normbuien (Rioned), is het klimaatbeleid gestoeld op extreme omstandigheden die zijn gebaseerd op de recent geformuleerde uitgangspunten in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. We hebben vanuit deze uitgangspunten kaders en normen gesteld aan het ontwerp en de inrichting van de nieuwe openbare ruimte met als doel de veiligheid voor onze inwoners ook in de toekomst te kunnen borgen.
7.1.1.2Beleidsplannen, wet en regelgeving riolering
De rioleringszorg krijgt gestalte vanuit verschillende wetten, regels en beleidsvisies rond milieu-, water- en ruimtelijke ordening vraagstukken. Belangrijk is in het ontwerpproces rekening te houden met vastgestelde beleidsplannen en -nota’s op deze gebieden.
Het beleid is te onderscheiden op Europees, landelijk, provinciaal (inclusief waterschappen) en gemeentelijk niveau. Zie voor de geldende wet- en regelgeving onder andere de Leidraad Riolering van de Stichting Rioned.
7.1.1.3Gemeentelijke beleidsuitgangspunten riolering Neder-Betuwe
Uitgangspunt en leidend voor implementatie van het vigerend gemeentelijk beleid tijdens planvorming en ontwerp is het Programma Riolering en Water (PRW) en de algemene (beleids)uitgangspunten riolering. Onderstaand een overzicht van de (beleids)documenten die we hanteren:
Programma Riolering en Water 2024-2028.
Leidraad Riolering Stichting RIONED, actueel www.rioned.nl.
7.1.1.4Randvoorwaarden riolering gemeente Neder-Betuwe
We hanteren in aanvulling op de gemeentelijke beleidsplannen een aantal algemene en specifieke randvoorwaarden en uitgangspunten die in de geest of direct een vertaling dienen te krijgen in de planvorming. De randvoorwaarden en uitgangspunten zijn hieronder weergegeven. Daarbij merken we op dat de eerder genoemde beleidsplannen bij eventuele tegenstrijdigheden geldend zijn.
Houdbaarheid van het ontwerp:
Houd er bij het ontwerp van objecten en elementen rekening mee dat reparaties en aanpassingen doelmatig te realiseren zijn.
Houd rekening met aansluitmogelijkheden voor toekomstige uitbreidingen rondom het project of plangebied.
Onderhoudbaarheid (rekening houdend met de kostenbeheersing op termijn):
Houd bij de materiaalkeuze rekening met het schoonhouden, vandalisme en veiligheid.
Werk in de maatvoering, eenheden, materialen en uitvoering naar standaardisatie.
Houd rekening met de geldende Arbowetgeving richtlijnen en veiligheidseisen bij de aanleg en het latere onderhoud.
Toegankelijkheid:
Toegankelijk voor onderhoudsmaterieel moet gegarandeerd zijn, door het voorkomen van hoeken, obstakels, hoogteverschillen waar het materieel voor onderhoud niet zonder meer bij kan, voldoende draagkracht in de grond. Onderhoudsmaterieel heeft te allen tijde vrije toegang nodig vanaf openbaar terrein, tot het water (baggeren/krozen), reinigen van riolering, kolk, randvoorziening of gemalen enzovoorts.
Duurzaamheidstoets:
Bij de robuustheid van de inrichting, rekenen we met een levensduur van minimaal:
Vrijvervalleidingen - 60 jaar.
Mechanische riolering (leidingen) - 60 jaar.
Gemalen, kast, appendages, mechanisch-elektrisch - 30 jaar.
Pompen en leidingwerk inwendig – 15 jaar.
Gemalen, bouwkundig - 60 jaar.
Drainage - 45 jaar.
Randvoorzieningen, bouwkundig - 60 jaar.
Randvoorzieningen, mechanisch-elektrisch - 30 jaar.
Gebruik van duurzame materialen bij de toe te passen objecten, zoals buismaterialen en rioolleidingen. Houd hierbij goed rekening met de lokale omstandigheden.
Klimaatadaptatie in het ontwerp:
Houd bij het ontwerp van een nieuwe ontwikkeling rekening met de gevolgen van de klimaatverandering. Geef de inrichting dusdanig vorm om het risico op wateroverlast en schade te beperken en de veiligheid voor onze inwoners en bedrijven redelijkerwijze wordt gegarandeerd. Richt de nieuwe ruimtelijke plannen water- en klimaat robuust in2Het toepassen van trottoirbanden en (plaatselijke) verlagingen kunnen een regulerend (positief) effect hebben op de gevolgen van wateroverlast bij hevige neerslag. Bij een hevige bui kan hemelwater tijdelijk geborgen worden op straat of in verlaagde plantvakken. Ook kan de weg zelf water afvoeren. Hemelwater kan bijvoorbeeld ook afvoeren via een in de weg ingepaste goot naar een minder kwetsbaar gebied. De afvoer van water is dan niet langer volledig afhankelijk van de beperkte capaciteit van de ondergrondse infrastructuur. Hierdoor wordt de afvoercapaciteit van het rioolstelsel minder belast bij een piekaanbod hemelwater..
Bij het uitwerken van klimaatadaptatie maatregelen in het ontwerp tegen wateroverlast worden ook kansen voor de aanpak van verdroging, biodiversiteit en hittestress afgewogen en zoveel mogelijk benut.
7.1.1.5Rioolbeleid
Doelen en zorgplichten PRW
De doelen en beleidsuitgangspunten van Neder-Betuwe staan in het vigerend beleid. In hoofdlijnen zijn deze:
Doelen:
Invulling geven aan de drie wettelijke zorgplichten (gemeentelijke watertaken):
Doelmatige inzameling en transport van stedelijk afvalwater.
Doelmatige inzameling en doelmatige3Initiatiefnemer en toekomstige eigenaren van bedrijven en woningen en dergelijke hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemel- en grondwater, voor zover de gemeente als toekomstig beheerder van de openbare ruimte dit redelijkerwijs kan vergen. Als het aantoonbaar niet doelmatig mogelijk is om bijvoorbeeld hemelwater en/of overtollig grondwater zelf te kunnen verwerken of afvoeren (bijvoorbeeld op een watergang of in de bodem) dan heeft de gemeente een ontvangstplicht. verwerking van hemelwater (daar waar de perceeleigenaar redelijkerwijs niet in staat is dit zelf te doen).
Het in openbaar gebied treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover doelmatig (inspanningsverplichting).
De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater en ander afvalwater aan de bron is:
Voorkom of beperk het ontstaan van afvalwater.
Voorkom of beperk verontreiniging van afvalwater.
Houd afvalwaterstromen gescheiden, tenzij het niet-gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater.
Zamel huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater in en transporteer dit naar een RWZI.
Hergebruik ander afvalwater dan bedoeld bij het punt hierboven (zo nodig na zuivering bij de bron).
Hemelwater wordt zoveel mogelijk hergebruikt of lokaal teruggebracht (afkoppelen) in oppervlaktewatersysteem of op/in de bodem (zo nodig na zuivering bij de bron).
Hanteer de volgende voorkeursvolgorde bij in- en uitbreidingen voor het verwerken van hemelwater:
Infiltratie in de bodem. (vanwege de grondslag in het gebied van Neder-Betuwe is infiltratie in de bodem vrijwel niet mogelijk)
Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater.
Directe afvoer naar oppervlaktewater met aanvullende maatregelen in het oppervlaktewatersysteem.
Uitgangspunten:
Uitgangspunt voor het omgaan met hemel- en grondwater is dat (afstromend) hemelwater en aangevoerd overtollig grondwater meestal schoon genoeg zijn om zonder zuivering in het milieu te worden teruggebracht.
Voer bij voorkeur het hemelwater bovengronds af naar een bergende voorziening zoals een wadi of oppervlaktewater. Ondergrondse afvoer als alternatief of aanvulling is toegestaan als de afstand tussen bron en lozingspunt te groot is of bij onvoldoende hoogteverschil tussen beide punten.
Sluit het hemelwater van zowel daken als achter de woning gelegen opstallen (bergingen/schuren) van het particulier terrein per perceel afzonderlijk aan op het openbare hemelwatervoorziening als in een dergelijk riool voorzien is.
Verwerk zoveel mogelijk, min. 20mm, hemelwater van particuliere verhardingen op het eigen terrein.
Dakwater van bedrijfspanden moeten direct, bij (voorkeur oppervlakkig) afwateren naar open water. Leg indien noodzakelijk hiervoor een separaat afvoerend hemelwaterriool aan.
De inrichting van een plan dient op het gebied van afkoppelen logisch, uniform en eenduidig te zijn.
Bied hemel- en vuilwater altijd gescheiden aan.
Leg voor de afvoer van grondwater een separaat drainagestelsel.
Bij meerdere individuele ondergrondse hemel- of grondwaterwaterafvoer van particulier terrein die afvoeren op wadi’s of watergangen het aantal lozingspunten zoveel mogelijk beperken.
Verontreiniging van hemelwater moet worden voorkomen door diffuse bronnen die van invloed zijn op kwaliteit van afstromend hemelwater - waardoor het niet voldoet aan de door de waterkwaliteitsbeheerder gestelde emissiegrenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater – te beperken. Als het beperken van diffuse bronnen (bijvoorbeeld door intensief verkeersgebruik als gebiedsontsluitingswegen of opslag- en bedrijventerreinen) niet mogelijk is, dan moeten maatregelen aan de bron of end-of-pipe worden genomen om te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Als maatregel zijn lamellenfilters of andere filtersystemen niet toegestaan.
Geen afvoer van overtollig grondwater op afval- en hemelwaterstelsels die afvoeren naar een RWZI.
Eventueel nog aanwezige ongerioleerde panden in het te ontwikkelen (stedelijk) gebied moeten worden aangesloten op het rioleringssysteem en opgenomen worden in de planvorming.
Er moet voldoende oppervlaktewater (berging) voor vrijkomend hemelwater worden gereserveerd. Het waterhuishoudings- en (basis)rioleringsplan moeten op elkaar zijn afgestemd.
Voor nieuwe woongebieden is het uitgangspunt een gescheiden rioleringssysteem en voor nieuwe bedrijventerreinen een verbeterd gescheiden rioolstelsel.
Bij inbreidingen en herstructurering in bestaand stedelijk gebied moet rekening worden gehouden met al bestaande rioolsystemen, de hierin beschikbare afvoercapaciteit, voorgenomen verbeterings-, renovatie- en vervangingsplannen en met het betrokken waterschap vastgelegde afspraken in planvormingen (vuilemissie reductieplan, waterkwaliteitsspoor). Bij de in-uitbreidingsplannen moet rekening worden gehouden met de kosten benodigd voor eventuele maatregelen, onderzoek en aanpassing van de bestaande rioolsystemen buiten het plangebied.
Pas in principe geen gemalen toe bij in/uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen. Afvoer onder vrijverval is het leidend uitgangspunt. Slechts in díe gevallen waar dit aantoonbaar technisch niet mogelijk blijkt of vanwege maatschappelijk kosten onverantwoord is, kan de gemeente na beoordeling van een door initiatiefnemer gedegen onderbouwing afwijken van het aansluiten onder vrijverval.
7.1.1.6Milieuwet- en regelgeving (incl. lozingsregels voor afval-, hemel- en grondwater):
De initiatiefnemer dient op de hoogte te zijn van de wet- en regelgeving, in onder andere in:
Wet milieubeheer;
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Wm-inrichtingen), kortweg Activiteitenbesluit;
Besluit lozing afvalwater huishoudens: voor lozingen vanuit huishoudens;
Besluit lozen buiten inrichtingen: Voor alle lozingen van overige bronnen/openbare ruimte. Dit besluit stelt onder andere regels voor overstorten, lozing vanuit hemelwaterriolen en afspoeling van wegen;
Besluit glastuinbouw;
Wet bodembescherming.
7.1.1.7Waterwet- en regelgeving
Zorgplicht voor inzameling van afvalwater;
Zorgplicht hemelwater;
Inspanningsverplichting grondwater;
Van vergunning naar algemene regels (bijv. hemelwaterlozingen uit gemeentelijk rioolstelsel vallen niet meer onder vergunningsplicht (voorheen WVO-vergunning) maar algemene regels);
Meldings- of watervergunningsplichtige activiteiten;
Samenwerken op basis van afspraken: Vroegtijdig in het ontwerpproces ook de waterschappen betrekken (mede ook vanwege relatie tot totaal watersysteem).
7.1.1.8Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening;
Woningwet, bouwbesluit en bouwverordening;
WABO.
7.1.1.9Overige wet- en regelgeving en planvormen
Kaderrichtlijn water (KRW);
Nationaal Milieubeleidsplan en Milieuprogramma;
Nationaal Waterplan;
Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten [W.I.O.N];
Provinciale milieuverordening en Omgevingsverordening Gelderland;
Waterplan Provincie Gelderland;
Waterbeheerplan waterschap Rivierenland;
Keur van het betrokken waterschap;
Gemeentelijk milieubeleidsplan;
Gemeentelijk RioleringsPlan of Programma Riolering en Water;
Gemeentelijke verordeningen;
Vigerende bestemmingsplan(nen).