Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › Paragraaf 7.1

Artikel 7.1.2

Randvoorwaarden

Onderdeel van Handboek Openbare Ruimte 2024

7.1.2.1Planvorming In hoofdstuk 3 ‘Planvormingseisen’ van dit handboek staat welke algemene eisen en terugkoppeling in het proces van planvorming en ontwerp van toepassing zijn. Voor de discipline riolering is een aantal specifieke zaken ten aanzien van het proces en de planvorming van belang. Het is van belang de beleidsvelden en randvoorwaarden, de fysieke omgeving en een passend inzamel- en transportsysteem goed op elkaar af te stemmen. Het ontwerpproces bestaat uit de drie stappen: schetsontwerp (inrichting systeem), functioneel ontwerp (dimensioneren systeem) en detailontwerp (dimensioneren onderdelen). Details van systeemonderdelen kunnen de haalbaarheid van het schetsontwerp aanzienlijk beïnvloeden, bijvoorbeeld in de keuze van afvoer via het maaiveld of via wadi’s. Bij het schetsontwerp moet dus al terdege rekening worden gehouden met de invulling van dergelijke details. 7.1.2.2Uit te werken plannen Stel bij planvorming moet voor het totaal te ontwikkelen gebied (inclusief te verwachten toekomstige en/of te voorziene uitbreidingen) een Waterhuishoudingsplan op als genoemd in hoofdstuk 3 en volgens bijlage 6. Hierbij spelen de eisen van het waterschap, de uitgangspunten van gemeente Neder-Betuwe, het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Neder-Betuwe een belangrijke rol. Indien de realisatie van deelgebieden meer dan drie jaar wordt vertraagd, moet per deelgebied opnieuw worden getoetst of nog wordt voldaan aan de drie planvormen en moet, in samenwerking met de gemeente en het betrokken waterschap, voor elk deelgebied een geactualiseerd (basis)rioolplan worden uitgewerkt. Het (basis)rioleringsplan moet leiden tot een zodanig duurzaam ontwerp dat afval- en hemelwater doelmatig wordt ingezameld en getransporteerd, zodanig dat ongewenste emissie naar oppervlaktewater, bodem en grondwater wordt voorkomen en de omgeving geen (water)overlast ondervindt. Het resultaat van de planvorming is een (basis)rioleringsplan (functioneel ontwerp) wat past in het inrichtingsplan en wat de basis vormt voor de realisatiefase. Bij de planvorming moet rekening worden gehouden met de bij het ontwerpproces benodigde stappen. Deze zijn uitgebreid omschreven in de Leidraad riolering van de Stichting Rioned. Bij de uitwerking voor het ontwerp van afval-, hemel- en grondwaterbeheerstelsels en de vertaling hiervan in een (basis)riolerings- en het grondwaterbeheersingsplan, zijn met name van belang: Stedenbouwkundige aspecten: Bebouwingsdichtheid en de relatie tot het verhard oppervlak; De structuur van water en groen. Omgevingsaspecten: (Geo)hydrologische situatie. De invloed op de bestaande (natuurlijke) grondwater- en oppervlaktewaterhuishouding en kwelgebieden. Voorkom negatieve invloeden bij te maken keuzes. Bodemopbouw. Draagkracht en samenstelling van de bodem beïnvloed het toekomstig zettingsgedrag. De benodigde drooglegging bepaald mede de keuze voor de inzet drainage en/of het ophogen van het terrein. Bodemgesteldheid. De wijze van afvoer van hemel- en grondwater in relatie tot bodemgesteldheid en doorlatendheid (gezien de bodemgesteldheid in de gemeente Neder-Betuwe is infiltratie van water in de bodem in veel gevallen niet mogelijk). Afstemming van hoeveelheid en kwaliteit van het afvalwater. Hoeveelheid, debiet en kwaliteit van het afstromend hemelwater (voorkom onder andere versnelde instroom van afstromend hemelwater in het hemelwaterstelsel). Grondwaterkwaliteit. Aanwezigheid en omvang van diffuse bronnen (potentiële vervuilingsbronnen van hemelwater) zoals verkeer, industrie, bouwmaterialen, gebruikers en beheerders van de openbare ruimte. Aspecten ten aanzien van hoogte inrichting: De wijze van afvoer van afval, hemel- en grondwater heeft een indirecte relatie met de hoogte van het bestaande en het nieuwe maaiveld en de peilhoogten. Maak in het ontwerp afweging, keuzen en de effecten hiervan duidelijk inzichtelijk. Bijvoorbeeld: voor het oppervlakkig afvoeren van hemelwater over het maaiveld is een bepaald minimaal verval voor de afvoer van water door goten noodzakelijk. Realiseer dit dan wel binnen het plangebied. Grondkerende constructies zijn ongewenst maar indien deze noodzakelijk zijn dit onderbouwen en duurzame maatregelen opnemen bijv. greppel met drainage om overlast in de toekomst te voorkomen. De peilmaten van de fundering (vloerpeilhoogte) hebben een relatie tot de risico’s op overlast of schade van de bebouwing in gevallen van extreme neerslag (klimaatadaptatie). Houd in het ontwerp bij de inrichting rekening met dit risico door bijvoorbeeld het creëren van bovengrondse waterberging op straatniveau daar waar de overlast minimaal wordt geacht. Stel hiervan een hoogteplan op. Maaiveldhoogte en peilmaten. Voldoende berging in het oppervlaktewater: dit beperkt diameters van hemel- en grondwaterbeheerleidingen. Aspecten ten aanzien van bodemzetting: Restzettingseis: effecten van wijzigingen in de (geo)hydrologische, bodemsituatie en ophogen. Zettingsgevoeligheid: keuze afweging voor kleinere diameters en/of lichtere (funderings) materialen. Aspecten ten aanzien van toekomstig onderhoud: Situering en bereikbaarheid bij preventief onderhoud, storingen en vervanging (beheer gericht ontwerpen). Aspecten ten aanzien van bestaande (ondergrondse) infrastructuur Aansluitmogelijkheid op bestaande afvalwatersystemen en het beschikbaar zijn van afvoercapaciteit bij zowel gemeente als waterschap (keuze aanpassen of uitbreiden). Afstemming benodigd ruimtegebruik in de openbare ruimte in het dwarsprofiel (ondergrondse en bovengrondse infrastructuur), kruising van andere infrastructuur (diepteligging).

Rechtspraak bij dit artikel