7.2.1.1Woonwijken
De volgende systemen worden onderscheiden:
Gemengd of Vuilwaterriool;
(Verbeterd) Gescheiden stelsel;
Gemengd stelsel.
Vuilwaterriool, (verbeterd) gescheiden stelsel: aanduiding (DWA) of Droog Weer Afvoer.
Regenwaterriool, (verbeterd) gescheiden stelsel, schoonwaterriool gescheiden stelsel, rechtstreeks naar oppervlaktewater: aanduiding (HWA) of Hemel Water Afvoer.
Grondwaterafvoer, drainage: aanduiding (DRAIN).
Leg in woonwijken een vuilwaterriool aan waarbij hemelwater bij voorkeur bovengronds wordt afgevoerd naar open water of een wadi welke bij voorkeur centraal in het plangebied ligt. Ondergrondse afvoer middels een hemelwaterriool is uitsluitend, in overleg, toegestaan wanneer de afstand tot het lozingspunt te groot is of onvoldoende afschot te realiseren is.
Op bedrijventerreinen met milieucategorie 1 en 2 is hetzelfde van toepassing (in overleg met het waterschap).
Op bedrijventerreinen met milieucategorie 3 en zwaarder wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd (in overleg met het waterschap), waarbij schoon dakwater rechtstreeks naar oppervlaktewater wordt afgevoerd.
7.2.1.2Ligging
Breng waar mogelijk de riolering en waterhuishouding aan in één weghelft. Niet onder de gehele wegas of in het rijspoor. Plaats de inspectieputten buiten het rijspoor.
De hoogten van de aansluitende riolering en straathoogten moeten worden gewaterpast voordat de definitieve bestekstekeningen worden vastgesteld.
Boven de inlaten van het hoofdriool mogen geen kabels, leidingen en bomen worden aangebracht.
Minimale dekking buis: 1,20 meter.
De afstand tussen buitenzijde van de buizen onderling is 0,50 meter.
De afstand tussen onderling kruisende rioolbuizen is minimaal 0,20 meter.
Om bij kruising met nutsleidingen een goede aansluiting van huis- of kolkaansluitingen op het riool te garanderen bedraagt de gronddekking op het hoofdriool minimaal 1,25 meter.
De maximale diepteligging bedraagt 3,5 meter van B.O.B. tot straatpeil.
De minimale afstand tussen de riolering en het hart van een boom bedraagt 1,50 meter.
De maximale afstand tussen twee inspectieputten bedraagt 60 meter.
Inspectieputten worden aangebracht op alle kruisingen, knikken en bijzondere voorzieningen in het rioolstelsel. Ook bij wijzigingen in het verhang en van diameter.
De inspectieputten moeten altijd toegankelijk zijn.
Inspectieputten worden geplaatst buiten de tracés voor kabels en leidingen.
Verdekte inspectieputten mogen niet worden toegepast.
Persleidingen moeten bij voorkeur direct lozen op een rioolgemaal, dit om stankoverlast en aantasting in het rioolstelsel te voorkomen.
Sleuven worden aangevuld met zand voor aanvullingen volgens RAW.
Het drainage aanlegniveau van het drainagestelsel bedraagt 100 mm onder de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG).
7.2.1.3Vormgeving stelsels
De gemeente Neder-Betuwe werkt met een nummersysteem voor de riolering en drainage. Uiterlijk in het definitief ontwerp moeten de definitieve putnummers gebruikt worden. De te gebruiken putnummers dienen tijdig opgevraagd worden bij de gemeentelijke rioolbeheerder.
In het ontwerp worden doodlopende strengen (in het vuilwatersysteem) zoveel mogelijk voorkomen. Bij verstopping van één rioolstreng moet het rioolwater alsnog kunnen afstromen via een andere gekoppelde streng.
In een verbeterd gescheiden stelsel wordt bij nieuwe stelsels geen directe koppeling gemaakt tussen de HWA-riolering en de DWA-riolering. Beide stelsels krijgen een eigen pomp in één gemaal. Als dit niet mogelijk is, wordt de verbinding gerealiseerd nabij de hemelwateroverstort. Bij deze koppeling wordt een terugslagklep met spindelschuifafsluiter aangebracht.
Bij gescheiden rioolstelsels worden bij het hoogste punt in het stelsel putdeksels met ontluchtingsgaten toegepast. Deze ontluchtingsdeksels dienen dusdanig gepositioneerd te worden dat geen stankoverlast kan optreden in nabije bebouwing.
Hoofdriolering dient te worden aangebracht op ongeroerde grond.
De riolering wordt gefundeerd op een zandbed van minimaal 0,15 meter.
7.2.1.4Ontwerp drainagestelsel
Wanneer de ontwateringsdiepte bijv. bij hoge rivierwaterstanden (kwel) tijdelijk niet gehaald wordt, moet een ontwateringssysteem worden toegepast. De initiatiefnemer dient een drainageplan ter goedkeuring aan te bieden aan de gemeente. Dit plan dient minimaal de volgende elementen te bevatten:
Onderzoek naar de gedragingen van de grondwaterstanden middels te plaatsen peilbuizen
Bepalen van de gemiddeld hoogste- en laagste grondwaterstand
Afvoermogelijkheden
Hoogteligging en maatvoering drainage
Dimensionerings- en droogleggingsberekening van de drainage
De minimale doorsnede van een drainageleiding is 100 mm.
Toetsingscriterium van dimensioneringsberekening is een minimale afvoer van 7 mm per dag.