7.3.2.1DWA-stelsel
De dimensionering dient te voldoen aan de volgende eisen:
Maximale vullingsgraad: 50 %
Minimale berging: 24 uur DWA productie
Voorkeur afschot: 1:buisdiameter in mm
Afschot beginstrengen DWA-stelsel: 1:250 (voor minimaal eerste 150 meter)
Minimaal afschot DWA-stelsel: 1:500
Geen water-op-straat bij bui 08 (T=2)¹
Geen water t.a.v. verkeersonveilige situaties en in panden bij bui 09 (T=5)²
4deze eis wordt gesteld aan overtollig water wat niet door het HWA stelsel wordt verwerkt, dus bij berekende buien groter dan bui 09 van de Leidraad Riolering.eisen worden gesteld aan gemengde stelsels
7.3.2.2HWA-stelsel
De dimensionering van regenwaterriolering dient te voldoen aan de volgende eisen:
Bui 08 Leidraad Riolering C2100: 0,20 meter waking
Bui 09 Leidraad Riolering C2100: 0 meter waking (geen water op straat)
Bij Bui 10 of groter dient het op de straat optredende water over het wegoppervlak te stromen naar een gebied waar het geen/minimale schade veroorzaakt¹
Afschot beginstrengen HWA-stelsel: 1:500
Minimaal afschot HWA-stelsel: 1:1000
De minimale doorsnede van een HWA leiding is 300 inwendig mm
7.3.2.3Klimaatadaptatie
Beperk het risico op wateroverlast bij extreme neerslag door de onderstaande normen te hanteren:
Minimale schade in de bestaande kernen bij een bui van 60 mm in één uur. Eis is geen water in de woningen.
In nieuwbouwprojecten wordt de norm gesteld dat er bij een bui van 100 mm in één uur geen water in de woningen mag komen. De initiatiefnemer dient aan te tonen dat dit niet gebeurd door middel van een volumedoorrekening van het plangebied. Voor de helft van het totale oppervlak dat niet is aangesloten op de riolering wordt hiervoor gerekend met een oppervlakteberging van 10 mm (de eerste 10 mm neerslag wordt geacht niet tot afstroming te komen richting de riolering). De gemeente toetst aan de hand van het hoogteplan of aan de gestelde norm voldaan wordt 5Toelichting:Toelichting bij de eis van 100 mm in één uur: De bedoeling is dat aangetoond wordt dat een bui van 100 mm in een uur niet voor overlast in woningen zorgt in de ontwikkeling. Voor het bepalen van de buffer doet het gehele oppervlak mee en in principe tot de dorpels. Alle ruimte rond woningen onder dit laagste dorpelniveau telt mee. Het doel van de eis is de volgende: woningen moeten ook op lage punten in het plan voldoende hoog gebouwd worden om het water een plaats te geven, en op andere plaatsen kunnen wegen of groenstroken verlaagd (overloopgebied) worden zodat afvoer over maaiveld naar watergangen zonder beperking mogelijk is. Het water mag op straat en in groenstroken staan want het gaat om extremen. Met de bovengrondse inrichting kan gestuurd worden in de afvoer van extremen. Centraal gelegen groenstroken zijn makkelijker te benutten.
7.3.2.4Goten
Indien in de openbare ruimte de afwatering door middel van oppervlakkige afvoer wordt bewerkstelligd, de volgende uitgangspunten toepassen:
Molgoten plaatsen in het midden van de rijbaan.
Maximale gootlengte: 70 meter.
Minimaal goot verhang: 1:250.
Maximale gootdiepte 3 cm met een minimale gootbreedte van 50 cm. Kruisingen van weg met wadi uitvoeren als een doorwaadbare plaats (voorde) die ook werkt als een verkeersremmer.
In een (mol)goot vlakke straatkolken toepassen.
7.3.2.5 (Inspectie)putten
In het begin van de ontwerpfase levert de gemeente op verzoek een tekening met het bestaande rioolstelsel en een lijst met te gebruiken putnummers.
Inspectieputten van de DWA -riolering worden bij voorkeur vervaardigd van PP met een vlakke onderzijde voorzien van stroomprofiel.
Inspectieputten van de HWA- of gemengde riolering zijn van prefab beton met een fabrieksmatig aangebracht stroomprofiel.
Inspectie- of bijzondere putten mogen in principe niet worden opgemetseld.
Nieuwe overstortputten altijd in prefabbeton en de overstortmuur voorzien van een verstelbaar RVS overstortmes en RVS drijfvuilschot.
De overstortmuur in een overstortput haaks op de in en uitgaande leiding te situeren.
Als sprake is van aansluiting op een bestaand riool worden prefab putten toegepast met een ruime vierkante sparing. De aansluiting in deze sparing wordt gedicht met beton tenzij dat technisch niet mogelijk blijkt. In dat geval wordt opgemetseld en waterdicht afgewerkt.
Wanneer een deel van de riolering wordt vervangen in een bestaand rioolstelsel dienen de prefab putten te zijn voorzien van ruime vierkante sparingen bij hoekverdraaiingen in het nieuw te leggen riool. Waar het te vervangen riool weer aansluit op een bestaande put, kan deze put worden aangepast.
Indien meerdere hoofdriolen in één inspectieput samenkomen, moet(en) de leiding(en) met de kleinste afvalwaterstroom minimaal 10 cm hoger worden aangebracht dan de hoofdafvoerleidingen
Richtlijn afmetingen inspectieput in relatie tot leidingdiameter:
Inwendige afmeting
Max. puthoogte
Max. leidingdiameter
800 x 800 mm
1700 mm
500 mm
1000 x 1000 mm
2400 mm
700 mm
1330 x 1330 mm
> 2400 mm
1000 mm
De minimale inwendige maat van een betonnen inspectieput bedraagt 800 x 800 mm of ø 1000 mm en voor kunststof inspectieputten ø 800 mm (DWA, HWA of gemengd).
De minimale inwendige maat van een inspectieput voor grondwater verzamelleidingen bedraagt 600 x 600 mm of ø 600 mm
De minimale inwendige maat van een inspectie- doorspuitput in een drainageleiding bedraagt ø 315 mm
Inspectieputten in leidingen met een diameter van ø 800 mm of groter moeten toegankelijk zijn voor betreding, de te gebruiken putafdekkingen moeten voldoen aan alle Arbo-voorschriften.
Stellagen tussen kegelstuk en putrand uitvoeren met betonnen stelringen. Indien anders noodzakelijk worden stellagen van kelderklinkers (B5) aangebracht en gemetseld met specie van krimpvrije wegenmortel.
Bij kunststof putten een fundatieplaat aanbrengen onder de putranden.
Bij gescheiden stelsels opschriften altijd in de putranden én deksels opnemen (b.v. RWA, DWA of DRAIN).
7.3.2.6Putafdekkingen
Alle toe te passen putafdekkingen zijn van het merk TBS type 313 VEPRO (hoogte 24 cm) voor putten met aansluitende riolen kleiner dan ø500 mm, of type 435 VR VEPRO (hoogte 24 cm) voor alle overige putten, afdekkingen toepassen geschikt voor zwaar verkeer. Gelijkwaardige alternatieven zijn toegestaan mits gelijkwaardigheid kan worden aangetoond en is overlegd met de gemeente Neder-Betuwe.
Bij gescheiden stelsels putranden én deksels toepassen met opschrift RWA, DWA of DRAIN. Het opschrift moet naast het deksel ook op de putrand en niet alleen op het deksel omdat deksels gevoelig zijn voor verwisseling.
Putafdekkingen van overstorten en andere bijzondere constructies worden, als ze buiten de verharding liggen, voorzien van 1 meter straatwerk rondom de putafdekking.
Afdekkingen met een dagmaat groter dan 65 cm worden uitgevoerd met ergonomisch verantwoorde putdeksels die door een persoon geopend kunnen worden, bijvoorbeeld ondersteund door een gasveer. Deze putafdekkingen zijn geschikt voor zwaar verkeer en vallen in de sterkteklasse D400 volgens EN-124
Putranden op hoogte brengen met minimaal twee betonnen stelringen in specie.
Afdekkingen voor pompen en andere onderdelen die meer dan eens per jaar geïnspecteerd moeten worden dienen voorzien te zijn van een valbeveiliging. Klimvoorzieningen in putten en dergelijke zijn niet gewenst.
Alle bevestigingsmiddelen moeten uitgevoerd zijn in RVS.
7.3.2.7Uitstroomvoorzieningen
Regenwaterafvoeren kleiner dan 200 mm en lozend op een watergang of wadi worden waar mogelijk gecombineerd met één of meerdere afvoeren tot een grotere verzamelleiding voor de regenwaterafvoer. Indien dit niet mogelijk is moeten de regenwateruitlaten die kleiner zijn dan 200 mm worden beschermd tegen maaien, door plaatsing van een uniforme uitstroomput met rondom 50 cm straatwerk. Bij waterpartijen met een constant waterpeil de afvoer zichtbaar realiseren, dus vlak boven het waterpeil. In het ontwerp dient een detail te worden opgenomen van de voorzieningen.
Regenwaterafvoer vanaf ø200 mm (waaronder overstorten) lozend op een watergang of wadi, moet zijn voorzien van een uitstroomvoorziening, die zichtbaar is boven het normale waterpeil. Deze constructie moet voldoen aan de eisen van de beheerder van de watergang, waarbij de gemeente om een prefab betonnen uitstroombak eist met afdoende bescherming van het omliggende talud en de waterbodem. In het ontwerp dient een detail te worden opgenomen van de voorzieningen.
De afvoeren minimaal 0,10 meter boven de bodem van een watergang aanbrengen.
Bij een uitstromingsvoorziening in watergang of wadi moet ter plaatse voldoende bescherming zijn, door middel van betonmat of gelijkwaardige oplossing. Een talud afwerken met een betonspecie of soortgelijk stijf materiaal is niet toegestaan.
Bij een talud waar minder dan eens per jaar water beperkt overstroomt, is het toegestaan om een kunststofmat toe te passen die de grasmat voldoende blijvend verstevigt. Het maaien van gras moet daarbij goed mogelijk blijven.
Als de bovenkant van een overstortmuur minder dan 20 cm boven polderpeil gelegen is moet een terugslagklep toegepast worden
Hemelwater vanaf woningen wordt, in overleg met de gemeente, middels een (mol)goot of een buis met waterspuwer afgevoerd richting de openbare ruimte. In elk geval dient de gekozen uitvoering binnen het gehele plan uniform te worden toegepast en de bruikbaarheid van het trottoir niet te beperken.
7.3.2.8Persleidingen
Wanneer aangesloten wordt op een betonnen vrijvervalriool minimaal de eerste 20 meter vervangen door een kunststofleiding. De diameter van het verbindende vrijvervalriool is minimaal 200 mm.
Als overgang tussen persleiding en vrijvervalleiding wordt gebruik gemaakt van een PP of PE ontvangstput/ woelput tenge H2S vorming volgens onderstaand figuur met een diameter van minimaal 0,80 meter, waarbij het vrijkomende water rustig en onderwater kan stromen ter voorkoming van vrijkomen van H2S.
Bron: Leidraad riolering; Beheer van mechanische riolering module C3100, fig. 3.9
Persleidingen worden standaard uitgevoerd in PE 80, SDR 17, PN 8,0 tenzij de maximale druk van de pomp hoger is dan 4 bar. Bij drukken boven 4 bar, dient de leiding gedimensioneerd te worden te worden op de toelaatbare spanning. De leiding wordt uitgevoerd in de kleur zwart.
Van 10 meter voor tot 10 meter na een bocht in persleidingen moeten trekvaste koppelingen worden toegepast.
In verband met leidingweerstand en het reinigen moeten ruime bochtstralen worden toegepast. Haakse bochten zijn dus niet toegestaan.
De persleiding dient op tenminste één plaats gereinigd te kunnen worden. Hiertoe dient op de persleiding een doorspuit- of foam-pig lanceer inrichting aangebracht te worden.
Tot het werk behoort een beproeving op de bouwplaats bestaande uit een druk- en lekkagetest van de aangebrachte persleiding(en) middels een schrijvende, geijkte manometer gedurende 24 uur. De minimale testdruk is tenminste 0,75 MPa.
Boven persleidingen markeringslint aanbrengen met opschrift “rioolwaterpersleiding”.
7.3.2.9Drainage
Er wordt in alle gevallen een vast drainagestelsel in het openbaargebied aangelegd.
Drainage wordt alleen horizontaal uitgevoerd.
Drainageleiding heeft een minimale inwendige diameter van 100 mm.
Drainageleidingen worden uitgevoerd in star PVC omhuld met non-woven geotextiel.
De drain omhullen met minimaal 30 cm grof drainagezand of een grindkoffer.
Drainageputten moeten voorzien zijn van doorspuitvoorzieningen die vanaf maaiveld bereikbaar zijn via een dichte putdeksel.
Drainageputten moeten voorzien zijn van doorspuitvoorzieningen zonder haakse bochten.
Binnendiameter doorspuitputten minimaal Ø315.
Inspectieputten van de drainage voorziening zijn van kunststof PE met stroomprofiel.
Drainageputten dienen bovengronds toegankelijk te zijn.
Drainageputten moeten zijn voorzien van een zandvang bestaande uit een verdieping tot een diepte van 300 mm onderzijde laagste aansluiting.
Maximale afstand tussen doorspuitputten 75 meter.
Het drainagestelsel wordt als separaat stelsel ontworpen. Betekent dat er geen verbindingen worden toegestaan op een eventueel hemelwaterriool.
Bij voorkeur loost de drainage rechtstreeks via een uitstroomvoorziening op het oppervlaktewater.
In principe wordt geen cunetdrainage toegepast. Als dit toch noodzakelijk is dan wordt dit uitgevoerd in polypropyleenvezel 450 mu, diameter 100 mm, sleuven aanvullen met zand tot 25 cm ten opzichte van bovenkant buis. Verdere aanvulling tot onderzijde wegfundering.
Drainage wordt onder het grondwaterpeil aangelegd.
Het lozingspunt van de drainageleiding dient rond het niveau van de GHG te liggen.
7.3.2.10Kolken
In woon-, winkel en verblijfsgebieden en fietspaden:
Trottoir en/of straatkolken toepassen bestaande uit beton/gietijzercombinatie: Betonnen onderbak voor opvang voor zand en vuil met een inhoud van minimaal 20 liter, voorzien van stankscherm. Ééndelige kolk met U-vormige omranding verankerd aan het beton d.m.v. beugels, uitvoering volledig waterdicht en stankafsluitend. Verkeersklasse B125.
Op industrieterreinen en in gebiedsontsluitingswegen:
Trottoir en/of straatkolken toepassen bestaande uit een beton/gietijzercombinatie:
Betonnen onderbak voor opvang voor zand en vuil met een inhoud van minimaal 30 liter, voorzien van stankscherm. Ééndelige kolk met U-vormige omranding verankerd aan het beton d.m.v. beugels, uitvoering volledig waterdicht en stankafsluitend. Verkeersklasse C250.
Bij wegen met te verwachten bovenmatige vervuiling (bomen, doorgaande wegen met veel agrarisch verkeer):
Combinatie- trottoirkolk met vergrote inlaatopeningen bestaande uit een beton/gietijzercombinatie: Betonnen onderbak met vergrote zandvang >30 liter of standaard onderbak voorzien van extra zandvang. Ééndelige kolk met U-vormige omranding verankerd aan het beton d.m.v. beugels, uitvoering volledig waterdicht en stankafsluitend. Verkeersklasse B125.
In wegen met trottoirbanden dienen trottoirkolken te worden toegepast.
Bij toepassen van straatkolken: scharnierend, vlak, rooster met afgeronde inlaatopeningen.
Bij toepassen van trottoirkolken: teruggeplaatste afgeronde inlaatopeningen.
Het stankscherm van een kolk is zo geconstrueerd dat deze voor de normale reiniging niet verwijderd hoeft te worden en door een kolkenzuiger kapot gestoten kan worden. Het stankscherm is eenvoudig te verwijderen, waardoor de aansluitleiding toegankelijk is voor reiniging/ontstopping of inspectie.
In wadi's plaatsen HWA inspectie put pvc met gekneveld kunststof roosterdeksel als overloop of slokop.
In geval van kabels en leidingen kunnen in geval van conflict kolken worden toegepast met een lagere opbouw (300x450x600).
Op, en bij voetpaden die direct grenzen aan (kinder)speelplaatsen, speelterreinen en schoolpleinen: kolken toepassen met ES-vergrendeling (vergrendeling bv ES variant TBS of gelijkwaardig). Leverancier en type ter beoordeling voorafgaand aan levering voorleggen ter beoordeling door gemeente.
In wadi's plaatsen HWA inspectie put pvc met gekneveld kunststof roosterdeksel als overloop of slokop.
Fabricaat straat en trottoirkolken TBS of gelijkwaardig. Leverancier en type ter beoordeling voorafgaand aan levering voorleggen ter beoordeling door gemeente.
Toepassen van één uniform product (leverancier) en type kolk binnen een wijk en delen van wijken
Bij kolken die afvoeren naar oppervlaktewater, wadi’s of slokop een kolkdeksel met waaiermotief toepassen.
Ten behoeve van de fundering van de kolken de ongeroerde grond afvlakken.
Ten opzichte van het straatwerk dient de zogenaamde klik minimaal 1,5 cm te zijn.
Voorkeur aansluiting aan de zijkant van de kolk in plaats van achteraansluiting.
Kolken inclusief aansluiting worden geplaatst in de openbare ruimte en niet op particulier terrein. Zorg ervoor dat een kolk niet onder de erfafscheiding wordt geplaatst door minimaal één tegel met opsluitband achter de trottoirband te plaatsen.
Hoofdstuk 7 › Paragraaf 7.3
Artikel 7.3.2
Dimensionering leidingen
Onderdeel van Handboek Openbare Ruimte 2024