Het Waterschap eist compensatie in de vorm van waterberging voor de toename van verhard oppervlak (zowel openbaar als particulier) bij ontwikkelingen. Stedelijk water dient te worden gedimensioneerd op een inundatiekans van één keer in de 100 jaar. Dit om de negatieve gevolgen van uitbreidingen te compenseren en voldoende capaciteit in het watersysteem te borgen. Hiervoor wordt de volgende vuistregel gehanteerd:
436 m3 berging per hectare verhard oppervlak bij een T=10 en een peilstijging van 30 cm in de watergang;
664 m3 berging per hectare bij een T=100 en een peilstijging tot aan maaiveld in de watergang, droogvallende retentie (heeft een groter ruimtebeslag) of technische voorziening (blauw dak of ondergrondse berging);
Stedelijk gebied cq het plangebied mag maximaal 1,5l/s/ha, inclusief kwel, afvoeren op het landelijk gebied.
Normen uit het Beleidskader Klimaatadaptatie die bijdragen aan de waterberging of de totale verharding binnen het plangebied beperken, zoals groene daken en berging op eigen terrein, zijn onderdeel van deze opgave.
8.2.2.1 Watergang:
Overleg met Waterschap en Gemeente over de status en maatvoering van watergangen.
Aan te leggen retentie met een A-status draagt de initiatiefnemer na aanleg in beheer en eigendom over aan het Waterschap.
Water, taluds en oevers moeten toegankelijk en bereikbaar zijn voor gangbaar machinaal onderhoud.
Open water is zichtbaar en goed geïntegreerd in en bereikbaar vanaf de openbare ruimte (dus niet aan beide zijden begrensd door erfafscheidingen).
Water en/of wadi’s worden niet uitsluitend aan de rand van bebouwd gebied geprojecteerd maar worden binnen het plangebied geïntegreerd.
Pas waar mogelijk natuurvriendelijke oevers toe (het waterschap hanteert een richtlijn van 35%). Plas-, drasbermen, eilanden en droogvallende bergingen zijn toegestaan. Eenzijdige natuurvriendelijke oevers bij voorkeur aan de zuidelijke zijde situeren.
Zorg voor natuurlijke doorstroming en processen en voorkom doodlopende watergangen voor een goede waterkwaliteit in warme perioden.
Het watersysteem heeft een duidelijke structuur.
Zorg voor aaneengesloten watergangen met zo kort mogelijke duikers.
De omvang van de waterpartijen maakt dat er voldoende berging is om waterschade te voorkomen.
De natuurlijke inrichting moet bijdragen aan een positieve belevingswaarde en biodiversiteit.
Houd rekening met de afwatering en de ontwateringsdiepte van bestaande bebouwing en terreinen binnen en grenzend aan het plangebied.
Dusdanig ontwerpen dat oeverbescherming of maatregelen tegen afslag niet nodig zijn.
Het (grond)waterpeil bij bestaande bebouwing mag niet hoger worden dan de huidige situatie.
(Technische) ingrepen in het watersysteem worden alleen getroffen als na een integrale afweging blijkt dat deze een grote bijdrage leveren bij het invullen van gebruiksfuncties met een groot maatschappelijk belang (duurzaamheid).
Leg bij waterpartijen ook vuiltrekplaatsen (met grasbetonstenen) aan. Houd hierbij rekening met (zuid)westenwind. De strook moet bereikbaar zijn voor een vrachtwagen met autolaadkraan. De vuiltrekplaats dient tevens als secundaire waterwinning voor de brandweer.
8.2.2.2 Waterpartij:
Realiseer per onderhoudsvak voor varend onderhoud minimaal één boothelling volgens de volgende eisen:
Water dat varend onderhouden moet worden krijgt altijd een A-status.
Houdt er rekening mee dat een maaiboot tot max. 1,00m talud boven waterpeil kan bereiken.
Verharding van de helling over een breedte van minstens 3 meter vanaf de straatkant tot de waterlijn (winterpeil) met grasbetontegels van 120 mm dik op een fundering van 350 mm menggranulaat en een opsluiting op de waterlijn (winterpeil) door een hardhouten beschoeiing.
8.2.2.1Wadi’s
Wadi’s cq. droogvallende groene bergingen (zie voor detail bijlage 7) dragen, mits natuurlijk en biodivers ingericht, bij aan de groennorm en tellen mee als berging voor compensatie van het verhard oppervlak als:
Retentie maximaal 40 cm diep, waarbij de T=100 +10% in 40 cm moet passen.
De berging moet voorzien zijn van een slokop of noodoverlaat op 10cm onder maaiveld. Een slokop/noodoverlaat stroomt vrij af in open water of het hemelwaterriool. Uitgangspunt is dat de bodem van de wadi ruim boven de GHG ligt.
In Neder-Betuwe is de ondergrond doorgaans niet goed doorlatend is (zie infiltratiekansenkaart).
Daarom moet een drainkoffer met drain onderin de wadi worden gelegd die loost op oppervlaktewater of eventueel op het hemelwaterriool. De drainage reguleert de grondwaterstand rond de hoogte van de GHG. Het drainage-niveau wordt ingesteld door middel van een opzetstuk of een drempel.
Tussen bodem en drainkoffer moet bodemverbetering worden aangebracht. Samenstelling onderdelen wadi:
Toplaag ‘schrale teelaarde’: 0,30m matig fijn tot matig grof zand,
M50: ca. 200 µm, lutumgehalte: < 1 à 2%, os: ca. 2 à 3 %, kv> 0,5 m/etm
Onderbouw: min. 0,30m grof zand tot aan de drainkoffer; M50 300 à 2000 µm, kv> 5,0m/etm
Koffer: 0,50m drainagezand, kv> 10 m/etm
Drain: starre buis SN8, 160mm, rondom geperforeerd, binnenzijde glad, omhulling polypropyleen pp 450, h.o.h 4,00m
Bij dubbelgebruik met een speelvoorziening is het noodzakelijk de diepte te beperken cq. de afstand tot de GHG te vergroten door bijv. de bodem van de retentie (plaatselijk) hoger of getrapt aan te leggen. Uiteraard gaat dit ten koste van de bergingscapaciteit.
Wadi’s zijn onderdeel van het groenontwerp als bedoeld in hoofdstuk 9.
8.2.2.2Duikers
Duikers met een moeilijk bereikbare uitstroomopening of duikers met een lengte van meer dan 40 meter moeten met inspectieputten uitgevoerd worden. Deze putten moeten 20 cm dieper zijn dan de B.O.B. van de duiker, deze verdieping dient als zandvang en hoeft niet van een stroomprofiel voorzien te worden.
Duikers in dammen naar woningen en bedrijven zijn, na aanleg, de verantwoordelijkheid van de belanghebbende. De onderhoudsplichtige van de watergang (vaak gemeente of waterschap) draagt zorg voor de doorstroming.
Hoofdstuk 8 › Paragraaf 8.2
Artikel 8.2.2
Ontwerpeisen wateropgave
Onderdeel van Handboek Openbare Ruimte 2024