9.3.2.1Bomen
Ziektes, plagen en overlast, aanvullende eisen:
Het bomenbestand is weerbaar tegen ziekten en plaagsoorten en verleid natuurlijke vijanden om in het gebied te blijven. De sortimentskeuze en het type onderhoud moeten hieraan bijdragen en problemen zoveel mogelijk oplossen (zoals de eikenprocessierups).
Vermijd bomen die overlast veroorzaken in verblijfsgebieden en parkeer- en speelplaatsen, zoals vruchtdragende of luisgevoelige bomen. Zorg dat bewoners zo min mogelijk schaduwoverlast krijgen.
Bomen in volle grond, aanvullende eisen:
In gras/gazon geen bomen toepassen die veel last hebben van wortelopslag.
Bij bomen in plantsoenen waar de bestaande bodem niet geschikt is voor aanplant bomengrond (teelaarde specifiek voor bomen met een relatief hoog organische-stofgehalte) toepassen.
Bomen in verharding, aanvullende eisen:
Pas geen oppervlakkig wortelende bomen toe in verharding in verband met het opdrukken van de bestrating.
Daar waar de belasting hoog is (parkeerplaatsen/winkelcentra) dient bomengranulaat (een mengsel van fijn gesteente, organische groeistoffen en klei) te worden toegepast; het granulaat moet zijn van het type BSI Bomenservice te Baarn of met een gelijkwaardige samenstelling.
Daar waar de belasting van de verharding minder is, bijvoorbeeld op voetpaden in woongebieden, voldoet bomenzand type Helvoirt Amsterdam of met gelijkwaardige samenstelling waarbij het percentage lutum (klei) is kleiner dan het percentage organische stof.
Boomspiegels, aanvullende eisen:
De maat van de mogelijke boomspiegel is te berekenen in Boommonitor online.
Voorkomen dat pekelwater in boomspiegels kan lopen.
Stem de boomkransen af op de diktegroei van de bomen, minimaal 1 bij 1 meter.
De boomspiegel dient bij voorkeur beplant te worden. Hiervoor gelden de volgende richtlijnen:
Bij voorkeur een boomspiegel beplanten met ofwel een vaste plantensoorten die snel dichtgroeien en niet overhangen, ofwel heestersoorten die goed dichtgroeien;
Geen botanische rozen in de boomspiegel;
Geen gras in de boomspiegel;
De boomspiegel met beplanting dient minimaal een oppervlakte van 1,20 x 1,20 meter te hebben;
Er dient een laag teelaarde aangebracht te worden van 20-50 cm (bomenzand is te schraal voor vaste planten).
9.3.2.2Plantsoen:
Gebruik in extensieve beheerzones inheemse beplantingssoorten. Stem inrichting af op gewenst milieutype.
Rond speelplaatsen, peuterspeelzalen/scholen, maneges en dergelijke geen planten met giftige bloemen en/of bessen toepassen en geen bijen/wespentrekkende (bepaalde bloeiers).
Bij speelplekken geen beplanting met giftige bessen, vruchten of stekels toepassen.
Bij parkeerplaatsen geen soorten toepassen die problemen opleveren voor bewoners, zoals vruchten.
Gebruik beplanting die aansluit bij lokale omstandigheden (grondsoort, vochthuishouding, lichtsterkte en dergelijke). Bevorder, op locaties waar dit mogelijk is, streekgebonden beplanting zodat deze langer mee gaat en dieren worden aangetrokken.
Langs wegen en fietspaden in verband met gladheidbestrijding soorten kiezen die goed bestand zijn tegen invloed van strooizout.
Heesters moeten volgroeid passen binnen de maat van het plantvak. Gebruik van lage sierheesters is gewenst.
Geen soorten toepassen die niet of nauwelijks sluiten.
Bij het toepassen van solitairstruiken moet duidelijk hoogteverschil aanwezig zijn tussen vakbeplanting en solitairen.
9.3.2.3Gras:
Langs een rijbaan bij voorkeur een strook gras van 2 meter breed toepassen.
Hoeveelheid graszaad per m2: 1,5 kg/m2 bij handmatig zaaien en 1,0 kg/m2 bij machinaal zaaien.
De volgende mengseltypen toepassen:
Gazon en speeltuinen: R1
Bermen: B3
Dijken en weiden: D1
Hoofdstuk 9 › Paragraaf 9.3
Artikel 9.3.2
Materiaalkeuze
Onderdeel van Handboek Openbare Ruimte 2024