Eén van de criteria is dat een voorziening financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Het is hierbij in principe niet van belang wat het inkomen van de cliënt zelf is. Het gaat om de vraag of iemand met een minimuminkomen de voorziening zou kunnen betalen. Om deze vraag te beantwoorden hanteert het college het criterium dat de voorziening binnen een termijn van 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit is gebaseerd op de aflossingscapaciteit voor leenbijstand. Voor de kostprijs van de voorziening kijkt het college waar mogelijk ook naar beschikbare tweedehands voorzieningen.
Het voorgaande wil niet zeggen dat het inkomen van de cliënt helemaal nooit een rol kan spelen bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Het college toetst of voldaan wordt aan de algemene criteria voor algemeen gebruikelijk. Als een cliënt vervolgens meent een algemeen gebruikelijke voorziening toch niet te kunnen betalen, is het aan de cliënt om dat met documenten te onderbouwen. Het college onderzoekt niet standaard in elke situatie of er uitzonderlijke omstandigheden zijn.