Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht uit inkomen en/of vermogen van de belanghebbende en zijn gezin. Een voorbeeld van de draagkrachtberekening is in bijlage 2 rekenkundig weergegeven.
Voor de volgende personen geldt dat er geen draagkracht uit inkomen en vermogen aanwezig is:
personen met een uitkering op grond van de wet;
personen die in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een (minnelijke of wettelijke) schuldregeling hebben.
Voor personen met een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 en artikel 22 geldt dat er geen draagkracht uit inkomen aanwezig is.
Voor personen met een inkomen tussen 110% en 125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 en artikel 22 van de wet wordt 30% van het inkomen boven de 110% als draagkracht aangemerkt.
Aanvullend op lid 4 wordt voor personen met een inkomen boven 125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 en artikel 22 van de wet 50% van het inkomen boven 125% als draagkracht aangemerkt.
Voor personen met een inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 en artikel 22 van de wet wordt 100% van het inkomen boven deze norm als draagkracht aangemerkt in het geval van:
buitengewone verwervingskosten, met uitzondering van de kosten voor kinderopvang;
woonkostentoeslagen;
extra kledingkosten in verband met onvoorziene omstandigheden;
begrafeniskosten voor nabestaanden.
Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet buiten beschouwing gelaten.
De draagkracht uit inkomen wordt bij een stabiel inkomen gebaseerd op het inkomen op het moment van aanvraag. In de volgende situaties wordt hiervan afgeweken:
bij een onregelmatig inkomen, in dit geval wordt de draagkracht berekend op basis van het gemiddelde inkomen over de drie voorafgaande maanden;
bij inkomen uit zelfstandig bedrijf of beroep, in dit geval wordt de draagkracht berekend op basis van het inkomen over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag. Basis hiervoor is primair de (voorlopige) aanslag over dat jaar en secundair de aangifte, ingevolge de Belastingregelgeving.
Voor personen met een vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet wordt 100% van het vermogen boven de grens als draagkracht aangemerkt.
Met in achtneming van het gestelde in lid 9 van dit artikel wordt in de berekening van de draagkracht uit vermogen het vermogen buiten beschouwing gelaten waarvan kan worden aangetoond dat deze bestemd is voor de kosten van een uitvaart en dit vermogen de bedragen uit bijlage 1 niet overschrijden.
Voor de inkomensvaststelling en de vaststelling van het vermogen wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de algemene bijstand.
Na berekening van de draagkracht uit inkomen, op grond van lid 4 tot en met lid 8 van dit artikel, wordt het berekende bedrag verminderd met voor eigen rekening blijvende buitengewone uitgaven. Hieronder vallen in ieder geval:
het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag en de huurtoeslag die zou zijn ontvangen bij een inkomen op bijstandsniveau;
de woonkosten voor zover deze meer bedragen dan de maximale huur waarbij nog recht op huurtoeslag bestaat;
de kosten van alimentatie- en onderhoudsverplichtingen;
buitengewone verwervingskosten;
kosten voor studie en opleiding ten behoeve van kinderen tot 21 jaar voor zover hier geen andere vergoeding voor is verstrekt;
extra kosten ten gevolge van ziekte of handicap voor zover hier geen andere vergoeding voor is verstrekt.
Bij een draagkracht van minder dan € 25 per jaar wordt geen draagkracht aanwezig geacht.
De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan en heeft de duur van een jaar.
Bij een wijziging van het netto-inkomen van 20% of meer wordt de draagkracht in de eerder vastgestelde draagkrachtperiode tussentijds aangepast.
Bij een wijziging van het vermogen boven de in artikel 34 van de wet gestelde vermogensgrenzen, wordt de draagkracht in de eerder vastgestelde draagkrachtperiode herberekend.
Hoofdstuk
Artikel 3