Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.4

Voorbeelderf 1

Onderdeel van Regels omtrent het uiterlijk van bouwwerken zijnde windmolens in Achtkarspelen

Het erf ligt in een open kleilandschap. Het is een compact bebouwd erf. Er zijn afgezien van de eigen bedrijfswoning geen woningen binnen een straal van 150 meter van het bouwvlak. De meest ideale plek voor een windturbine is gezien de overheersende windrichting de westelijke achterzijde van het bebouwde erf. De simulaties van de drie verschillende turbines laten zien dat in dit open landschap de windturbine vrijwel volledig zichtbaar is vanaf de openbare weg (zie de afbeeldingen 1, 2, en 3). Het erf is maar iets dieper dan breed, de afstand tot de openbare weg is niet bijzonder groot. Het erf is nauwelijks beplant waardoor het erf min of meer onbegrensd is. De verschillende gebouwen, de opslag en de schuren worden daarom minder als samenhangend geheel ervaren. We hebben daarom ook een simulatie toegevoegd waarin de erfbeplanting is uitgebreid (zie de afbeeldingen 4 en 5). Het verschil tussen de beleving van de beide driewieks windturbines is gering (zie afbeeldingen 1 en 2). Beide driewieks turbines zijn goed passend bij de schaal van het erf en de bebouwing. De onderlinge verhoudingen tussen de mast en de wieken is met deze ervaringsafstand tot de windturbines niet storend. Deze ervaringsafstand is gangbaar omdat een windturbine doorgaans aan de achterzijde van een erf wordt geplaatst, op afstand van de dienstwoning die veelal aan de voorkant staat of is ondergebracht. Plaatsing van de windturbine aan de achterkant sluit aan bij de Visie ruimtelijke kwaliteit die stelt dat nieuwe elementen op het achtererf, achter de achtergevel van de oorspronkelijke boerderij moeten worden gesitueerd. De tweewieks windturbine die wieken heeft met een lengte van ca 10 m. De verhouding van de wieklengte tot de mast is hier wel uit evenwicht (zie afbeelding 3). De lengte van de wieken beslaat twee derde van de mastlengte. Daarmee lijkt de turbine als het ware “topzwaar”. De simulaties in draaiende toestand (zie link genummerd 6 tot en met 9) laten zien dat de tweewieks windturbine ook onrustiger is. De simulaties met erfbeplanting in de vorm van struiken (afbeelding 4 en 5) laten zien dat de windturbines beter verankerd zijn aan het boerderij erf als er beplanting is toegepast. In de simulatie is gekozen voor struikbeplanting tot circa 4 meter hoog. Dit om de windvangst zo min mogelijk te beperken. Voorbeelderf 1 met turbines met wieklengte van ca. 7m, 8m (3-wiekers) en 10m (2-wieker) 1 2 3 Extra simulaties van de driewieks en tweewieks windturbine met aanvullende erfbeplanting in de vorm van struiken tot circa 4 m hoogte 4 5 Extra simulaties van de driewieks en tweewieks windturbine in draaiende toestand bij een windkracht van 5m/s kunt u inzien via de onderstaande links: voorbeelderf 1 driewieksmolen bij windsnelheid 5m/s (6) voorbeelderf 1 tweewieksmolen bij windsnelheid 5m/s (7) voorbeelderf 1 driewieksmolen in maximale rotorsnelheid (8) voorbeelderf 1 tweewieksmolen in maximale rotorsnelheid (9) Conclusie voor de windturbines in een open landschap Driewieksmolen met wieken van 7 m lengte zijn goed inpasbaar bij een boerderij-erf; Driewieksmolen met wieken van 8 m lengte zijn goed inpasbaar bij een boerderij-erf; Tweewieksmolen met wieken van 10 m lengte is onevenwichtig en onrustig in draaiende toestand; Erfbeplanting met struiken levert in het open landschap een sterke verbetering op. Het boerderij-erf wordt begrensd en de windturbine is daaraan verbonden. Door toepassing van struiken kan dit zonder grote effecten op de windvangst.

Rechtspraak bij dit artikel