Mensenrechtelijk kader
Op basis van (inter-)nationale mensenrechtenstandaarden dient de overheid zich actief in te zetten ter bescherming en behoud van de woonwagencultuur. Concreet betekent dit onder meer dat de overheid bij een aantoonbare behoefte aan standplaatsen, standplaatsen moet faciliteren zodat woonwagen-bewoners binnen afzienbare termijn kans hebben op een standplaats (vergelijkbaar met reguliere woningzoekenden).
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
In artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Voor het bepalen of een woonwagen valt aan te merken als ‘woning’, en daarmee onder de bescherming van artikel 8 EVRM valt, is bepalend dat de bewoner een voldoende en voortdurende band heeft met een specifieke woonwagenstandplaats. Deze band met de specifieke woonwagenstandplaats wordt in ieder geval aangenomen als de bewoner zich vestigt of het voornemen heeft zich (permanent) te vestigen op desbetreffende woonwagenlocatie. Dit houdt in dat een woonwagenbewoner die niet staat ingeschreven op een woonwagenlocatie ook een beroep kan doen op bescherming van woning op grond van artikel 8 EVRM.
Daarnaast heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaald dat de woonwagen een integraal onderdeel uitmaakt van de identiteit van woonwagenbewoners, zelfs wanneer zij geen nomadisch leven meer leiden.
Door deze uitspraken heeft de overheid een positieve verplichting om het wonen in woonwagens mogelijk te maken. Deze positieve verplichting betekent overigens niet dat iedere woonwagenbewoner per direct een standplaats moet krijgen. Het gaat erom dat beleid ontwikkeld moet worden om de woon-wagenbewoners ervan te verzekeren dat zij hun mensenrechten kunnen uitoefenen. Dat houdt in dat binnen redelijke termijn een standplaats aangeboden moeten kunnen worden aan een woonwagen-bewoner. Bij het bepalen van de ‘redelijke termijn’ wordt over het algemeen gekeken naar de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning1In de gemeente Leusden is dit op dit moment (2023) circa 8,1 jaar..
Gemeente: volkshuisvestelijk beleid woonwagens
Met de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999 kwam de verplichting voor gemeenten om openbare centra voor woonwagens in stand te houden, te vervallen. Wel werd in de memorie van toelichting bij de intrekkingswet het volgende opgemerkt:
“De gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het volkshuisvestingsbeleid, waarvan de huisvesting van woonwagenbewoners onderdeel uitmaakt en waarbij alle burgers gelijk dienen te worden behandeld. Deze zorg voor het voorzien in passende woonruimte behelst het treffen van de benodigde maatregelen ten behoeve van een goede huisvesting voor de ingezetenen, ongeacht of zij in een woning, een woonwagen of woonschip willen wonen.”
Gevolgen Beleidskader Gemeentelijk Woonwagen- en standplaatsenbeleid
In navolging van de uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens en de Nationale Ombudsman heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2018 een beleidskader Gemeentelijk Woonwagen- en standplaatsenbeleid uitgebracht. Het betreft een beleidskader, geen wettelijke regelgeving. Er zitten dan ook geen directe juridische consequenties aan vast. Wel bevat het beleidskader landelijke uitgangspunten, waardoor opvolging wenselijk is. De gemeente Leusden zal zoveel mogelijk de adviezen uit dit beleidskader volgen. Het gaat om de volgende kaders:
De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volks-huisvestingsbeleid;
Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven aan het woonwagenleven van woonwagenbewoners;
Hiervoor is nodig dat de behoefte aan standplaatsen helder is;
Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover zij qua inkomen behoren tot de primaire doelgroep van de woningcorporaties
De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan zolang er behoefte is aan standplaatsen;
Een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn (vergelijkbaar met de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning) kans op een standplaats.
Woningcorporaties: huisvesting voor doelgroep sociale huursector
In de eerdergenoemde intrekkingswet uit 1999 wordt tevens expliciet de rol van woningcorporaties benoemd:
“De toegelaten instellingen (woningcorporaties) zijn al verantwoordelijk voor de uitvoering van de lokale huisvesting van de doelgroep woonwagenbewoners (geregeld in het Besluit beheer sociale huursector) en dienen zorg te dragen voor de aanleg van standplaatsen en het beschikbaar stellen van huurwoonwagens. Op grond van deze verantwoordelijkheden behoren gemeenten beheer en eigendom van bestaande standplaatsen en huurwagens over te dragen aan de toegelaten instellingen. Door wijziging van art. 75 lid 2 Woningwet verkrijgen de toegelaten instellingen ook het primaat bij de aanleg van standplaatsen en de bouw van huurwoonwagens.” (Kamerstukken II, 1996/97, 25 333, nr. 3, p. 2)
In de Woningwet 2015 en de Huisvestingswet 2014 is de woonwagenstandplaats opnieuw opgenomen. Het is woningcorporaties toegestaan om woongelegenheden (ook woonwagens en standplaatsen) te bouwen, toe te wijzen en te verhuren.
Voor woonwagenbewoners die qua inkomen behoren tot de primaire doelgroep van de woning-corporaties ligt de verantwoordelijkheid voor het bieden van huisvesting bij woningcorporaties. Voor andere woonwagenbewoners verplicht het mensenrechtelijk kader dat de gemeente aanvullende maatregelen treft om te voorzien in voldoende (koop- of huur-)standplaatsen. Dit vloeit voort uit artikel 75 van de Woningwet.
In 2022 heeft het Ministerie van BZK een “Nationale Woon- en Bouwagenda” gelanceerd, bestaande uit zes programma’s. Eén van die zes programma’s is “Een thuis voor iedereen”. In dit programma staan woonwagenbewoners expliciet opgenomen als een “bijzondere aandachtsgroep” waar het gemeentelijke woonbeleid beleidsuitgangspunten over dient te bevatten in haar woonzorgvisie (die na de invoering van de Omgevingswet een onderdeel gaat vormen van het Programma Volkshuisvesting). De Wet Versterking Regie Volkshuisvesting, die momenteel bij de Raad van State ligt, zal dit wettelijk vastleggen. Ook zal de Huisvestingswet worden gewijzigd, waardoor het hebben van een urgentieregeling een verplicht onderdeel wordt van de huisvestingsverordening, die eveneens verplicht wordt. Het voorliggende beleidskader is opgesteld in de geest van deze aanstaande wetswijzigingen.