Naar hoofdinhoud
1.. Het verantwoordelijk bestuursorgaan stelt bij de start van een proces voor beleid of een project of evaluatie hiervan een participatieplan vast waarin staat of en op welke manier burgerparticipatie wordt toegepast. 2.. In afwijking van het eerste lid stelt het college het participatieplan vast, als het college een beslissing van de raad voorbereidt op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel b van de Gemeentewet, tenzij de raad aangeeft het participatieplan te willen vaststellen. 3.. Het eerste lid is niet van toepassing in de volgende gevallen: ten aanzien van ondergeschikte of juridisch-technische herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen of projectplan; als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; inzake de vaststelling van de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; ten aanzien van interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente; als de uitvoering van een beleidsvoornemen of project dermate spoedeisend is dat participatie niet kan worden afgewacht; als het belang van participatie niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving; als andere zwaarwegende belangen het afzien van participatie vergen. 4.. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op onderwerpen waarvoor participatie al is vastgelegd in andere gemeentelijke verordeningen of regelingen vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan. 5.. Indien een uitzonderingsgrond uit het derde of vierde lid wordt toegepast, wordt dit bij de besluitvorming toegelicht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel