Het Alphense buitengebied laat zich grofweg verdelen in drie landschapstypen, elk met hun eigen karakteristiek: het veenweidegebied, de droogmakerijen en het boom- en sierteeltgebied Boskoop. De eerste twee landschapstypen kenmerken zich door openheid en weidse vergezichten. Het boom- en sierteeltgebied is door opgaande begroeiing zoals windhagen en moerbomen en meer intensieve agrarische bebouwing, onder andere kassen, wat meer besloten van karakter.
Kenschets veenweidegebied
Een fijnmazig slagenlandschap van lange kavels, met een ontginningslint als basis. Dit ontginningslint tekent zich af als een meer verdicht, enigszins rafelige band in de verder lege polder. De invulling van het lint bestaat uit boerenerven met erfbeplanting, maar ook uit burgerwoningen. De langwerpige erven liggen vaak relatief dicht op elkaar. Binnen het veenweidegebied is de veeteelt (gras) dominant, en de veenweiden zijn in veel gevallen een belangrijke plek voor de weidevogel.
Kenschets droogmakerijen
De droogmakerijen zijn veel grover verkaveld. Weidse (blok)verkaveling wordt plaatselijk door polderwegen met laanbomen opgedeeld in kleinere landschapskamers. De erven met bedrijfsbebouwing vormen kleine eilandjes in leegte op relatief grote onderlinge afstand, aaneengeregen door de polderweg.
Kenschets boom- en sierteeltgebied
Het boom- en sierteeltgebied Boskoop kent in structuur en ondergrond een gelijke basis als het veenweidegebied, bestaande uit lange slagen die ontgonnen zijn vanuit het huidige lint. Verschil is wel dat deze slagen veel intensiever bebouwd zijn met (bedrijfs)woningen, schuren, kassencomplexen en schermdoeken. Ook is hier sprake van opgaande beplanting van de sierteelt, moerbomen en windsingels. Vraag is dan ook wat hier als erf gezien moet worden. De traditionele benadering van het (planologisch begrensde) bouwvlak ligt hier anders.
Bij de plaatsing van windmolens dient zorgvuldig omgegaan te worden met de karakteristieken, landschaps- en natuurwaarden, die gelden voor de verschillende landschapstypen. Uitgangspunt bij de situering van kleine windmolens is dat zij de bestaande structuur van het landschap respecteren. Verrommeling door willekeurig geplaatste windmolens dient voorkomen te worden. De algemene stelregel is daarom dat wordt aangesloten bij bestaande bebouwingsclusters en opgaande landschapselementen.
Het (agrarisch) erf vormt daarin de basis. Enerzijds omdat daar de energievraag ligt, maar anderzijds omdat de windmolen dan aansluit bij de al aanwezige clustering van bebouwing en opgaande beplanting. Bestaande openheid en doorzichten tussen de erven worden daardoor ontzien. De ruime maat van het (agrarisch) erf in het buitengebied (bestemmingsplanmatig: het (agrarisch) bouwvlak) biedt de mogelijkheid om de windmolen voldoende ver van de (bedrijfs)woning te plaatsen, maar toch onderdeel te laten zijn van het erf-ensemble. Het ensemble, gevormd door de vaak wat grove en omvangrijke bedrijfsbebouwing, vormt tezamen met de erfbeplanting het decor waarbinnen een kleine windmolen goed is in te passen. Bij woonhuizen met kleinere gebouwmassa’s en kavelmaten is dit minder het geval. Windmolens worden daarom uitsluitend toegestaan bij (agrarische) bedrijfserven, en eventueel bij voormalige agrarische complexen, in het buitengebied.
Uitgangspunten
Plaatsing en inpassing
Om versnippering te voorkomen dient er te worden aangesloten bij bestaande clusters van verdichting, als onderdeel van het ‘erf-ensemble’. Windmolens blijven daarom in beginsel beperkt tot het bestemmingsplanmatig bepaalde (agrarisch) bouwvlak of de bebouwingszone langs de wegzijde van het perceel. 2 BestemmingsplannenIn de bestemmingsplannen voor het buitengebied wordt de situering van het erf en bijbehorende erfbebouwing geregeld middels een (agrarisch) bouwvlak. Voor het buitengebied in Boskoop ligt dit iets anders. Vanwege de fusie gelden er nog twee verschillende bestemmingsplannen in het boom- en sierteeltgebied van Boskoop. In deze plannen wordt verschillend omgegaan met het agrarische bouwvlak. In het bestemmingsplan Sierteeltgebied (Hazerswoude-Dorp) zijn de bouwvlakken ingetekend op de verbeelding en zijn kassen buiten bouwvlakken toegestaan. In het bestemmingsplan Buitengebied Boskoop zijn voor boom- en sierteelt geen bouwvlakken op de verbeelding opgenomen. In de regels zijn echter wel beperkingen opgenomen voor bebouwing waarmee een zone aan de wegzijde wordt gecreëerd voor bedrijfsbebouwing. Voor andere bedrijfsbestemmingen zijn in dit laatstgenoemde bestemmingsplan wel bouwvlakken opgenomen.
Indien het (agrarisch) bouwvlak echter groter is dan het feitelijke, als erf herkenbare ruimtelijke ensemble, wordt er uitgegaan van de feitelijke situatie. Een beplantings- en beheerplan biedt de mogelijkheid om dit met elkaar in overeenstemming te brengen.
Wanneer plaatsing in het (agrarisch) bouwvlak of het feitelijke, als erf herkenbare ruimtelijke ensemble, redelijkerwijs niet mogelijk is, kan hiervan worden afgeweken mits de afstand tot het erf maximaal de tiphoogte van de windmolen bedraagt.
De windmolen dient geplaatst te worden achter de voorgevel van het hoofdgebouw/hoofdschuur (dit is de gevel die naar de straat/weg is gekeerd).
In het (uitzonderlijke) geval dat de bedrijfsvoering meerdere windmolens vereist dan worden deze ‘in lijn’ geplaatst, op onderling regelmatige afstand. Daarbij wordt de dominante (lengte) richting van de kavel aangehouden.
Bij de plaatsing van een windmolen wordt bestaande erfbeplanting gerespecteerd. Maximalisering van de windvang vormt geen argument om bomen te vellen.
Initiatiefnemer maakt inzichtelijk hoe de windmolen zich verhoudt tot het bestaande erf en de bestaande erfbeplanting, en welke eventuele (inrichtings)maatregelen getroffen worden om de windmolen landschappelijk in te passen. Belangrijkste criterium daarbij is of de molen een logisch onderdeel uitmaakt van het erf-ensemble.
Aanvullende erfbeplanting ter versterking van het ruimtelijke ensemble en de toename van biodiversiteit wordt toegejuicht.
Eén en ander wordt vastgelegd in een landschappelijk inrichtings- en beheerplan, waarin ook de technische en beheer aspecten van de windmolen zijn opgenomen.
Bij waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische locaties, zoals de kroonjuwelen cultureel erfgoed (Aarlanderveen), dient te worden aangetoond dat met de plaatsing van een windmolen geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het (unieke) karakter van deze locaties. Dit kan bijvoorbeeld door het maken van een Heritage Impact Assessment (HIA).
Bij de plaatsing van een windmolen dient rekening te worden gehouden met de instructieregels van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het gaat hierbij vooral om paragrafen 7.3.7 en 7.3.19 van deze verordening.
Rotoromvang
De rotoromvang van een windmolen mag niet meer dan 200 m2 bedragen.
Hoogte
Conform provinciaal beleid bedraagt de bouwhoogte van een windmolen vooralsnog maximaal 15 meter (ashoogte), met een tiphoogte van ca. 23 meter. Deze bouwhoogte is sowieso toegestaan, ongeacht de hoogte van de omringende erfbebouwing en -beplanting.
Grotere bouwhoogtes zijn mogelijk, afhankelijk van de feitelijke of (middels omgevingsvergunning of beplantingsplan vastgelegde) toekomstige hoogte van de erfbebouwing en -beplanting, zulks met in achtneming van het provinciaal beleid.3 Het ziet ernaar uit dat de provincie op basis van haar onderzoek “Naar grotere kleine windturbines” zal besluiten om windmolens met een ashoogte tot maximaal 25 meter toe te staan. Uitgangspunt is dat de tiphoogte nooit hoger is dan 2x de hoogte van de omliggende erfbebouwing en -beplanting. Als absoluut maximum geldt daarbij een tiphoogte van 30 meter. 4 Het mogelijk maken van deze hoogte is mede afhankelijk van de provinciale omgevingsverordening.
Hieronder zijn de plaatsing en hoogtes van windmolens ten opzichte van het erfensemble in één oogopslag gevisualiseerd.
Afbeelding 2: Visualisatie inpassing windmolen t.o.v. het erfensemble
Vormgeving en inrichting
Belangrijk is de vormgeving (of keuze van het type windmolen) aan te laten sluiten bij de omgeving, en daarin ook een zekere eenheid te bewerkstelligen.
Om de eenheid en rust van het landschap zoveel mogelijk te behouden dient er bij eenzelfde landschapstype dezelfde vormgeving toegepast te worden. Uitgangspunt daarbij is een driewiekige molen, welke visueel minder snel lijkt te draaien.
In zijn algemeenheid geldt dat een windmolen een niet-contrasterende, zachte kleur dient te hebben die wegvalt tegen de omgeving. De windmolen mag niet worden voorzien van reclame-uitingen (anders dan welke vanuit de leverancier van de molen standaard aanwezig is).
Bijbehorende elementen en installaties zoals fundament, transformatoren of eventuele batterijen, bepalen mede de uitstraling van de windmolen. Hiervoor geldt veelal: hoe meer ‘toeters en bellen’, des te lager de waardering. Simpel zicht op de eenvoudige techniek in een natuurlijke omgeving, zonder hekken en dergelijke, zorgt veelal voor de beste landschappelijke inpassing. Als dergelijke objecten aan de voet van de windmolen niet zijn te vermijden, dan dient dit landschappelijk ingepast te worden met beplanting.
Afbeelding 3: Voorbeelden van inpassing van de voet van een windmolen
Artikel 1.5.2.1
Windmolens in het buitengebied en het boom- en sierteeltgebied
Onderdeel van Beleidsregels kleine windmolens Alphen aan den Rijn