Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2

Artikel 3.2.1

de voormalige boerendorpen

Onderdeel van Erfgoednota Achtkarspelen

Augustinusga Augustinusga vindt zijn oorsprong in de Middeleeuwen. Waarschijnlijk is het dorp rond het jaar 1000 gesticht. Oorspronkelijk lag het niet op de huidige locatie, maar in de buurt van het noordelijker gelegen de Tjoele. Op oude kaarten komt hier nog een oud kerkhof voor. Omdat deze locatie uiteindelijk te nat bleek, zijn de bewoners zich uiteindelijk op de zuidelijker gelegen zandrug gaan vestigen. Het dorp groeide vervolgens uit tot een agrarisch wegdorp langs de lijn It West-Geawei-It Oast. De Efterwei vormde de verbinding met Surhuizum. Langs het Kolonelsdiep ontstond bij een sluis de buurtschap Blauforlaet en bij de monding van de Feanster Feart de buurtschap Reahel, waar vroeger twee scheepswerven stonden. Bij een sluis in de Feanster Feart ontstond de buurtschap Reaskuorre. Het dorp is vernoemd naar Augustinus van Hippo (354 – 430 n.Chr.), ook wel ’de belangrijkste kerkvader van het Westen’ genoemd. De blikvanger van het dorp is de Augustinitsjerke. Deze is van de vijftiende eeuw en gebouwd in gotische stijl met spitsboogvensters en steunberen. De toren dateert uit de dertiende eeuw, waarvan het zadeldak in 1895 vervangen is door een spits dak. Naast de kerk ligt het Abrahamsplein, waarop een monument staat met daarin een voormalige gevelsteen met het wapen van Achtkarspelen, bestaande uit een kerk met acht kerktorens. Op de hoek van de Geawei en de Legeloane staat in een parkje een beeld van kunstschilder Willem Bartel van der Kooi die in Augustinusga geboren is. Oorspronkelijk stonden er verschillende states (landhuizen) in Augustinusga, die echter allemaal afgebroken zijn. Het Stynsger Bosk is nog een restant van één van dezes states. Aan de Geawei, in het centrum, staat een in 1777 gebouwde karakteristieke timmerschuur met overstek, waaronder de houtvoorraad bewaard werd. Via de Stynsgeaster Feart heeft Augustinusga een verbinding met het kanaal. Een tweede vaart, de Fabryksfeart, is in 1898 gegraven als verbinding tussen de toen opgerichte zuivelfabriek en het kanaal. In het Oast staat een in 1972 geplaatste poldermolen, een zogenaamde tjasker Figuur 24: Rijksmonument Skoalikkers 25 te Augustinusga Figuur 25: Rijksmonument Augustinitsjerke. Geawei 15 te Augusti- nusga (via Protestantse gemeente Augustinusga) Buitenpost Het verhaal van Buitenpost begint eveneens in de Middeleeuwen. De eerste bewoners van Buitenpost probeerden een bestaan op te bouwen in een bocht van het riviertje de Âlde Ryd. Overstromingen vormden in die tijd een constante bedreiging voor de bewoners, vandaar dat de meeste mensen verhuisden naar de hogerop gelegen zandrug. Het dorp is als een zogenoemde satellietnederzetting van het karspel Lutjepost ontstaan. Des te bijzonderder is het dat de rollen nu zijn omgedraaid. Buitenpost is het hoofddorp en het kleine Lutjepost werd in 1945 een buurtschap. De eerste naamsverwijzingen naar Lutjepost hebben het over Post, wat toentertijd een benaming was voor een eenvoudige voetbrug (over de Âlde Ryd). Buitenpost werd later Utpost genoemd en lag verderop, verder van de brug vandaan, op een hoge zandrug. Van oorsprong was Buitenpost een wegdorp langs de lijn West-Voorstraat-Oost. De monumentale Mariakerk is in de periode 1611-1613 gebouwd en staat iets ten zuiden van doorgaande weg, aan het einde van de Kerkstraat. Het is een gotische kerk met spitsboogvensters en steunberen. De toren met een spits is van rond 1200. In de kerk herinneren grote rouwborden en herenbanken nog aan de tijd van de adel en andere vooraanstaande lieden. Het dorp vervult een centrumfunctie in de regio. Sinds 1866 ligt Buitenpost aan het spoor van Leeuwarden naar Groningen. Buitenpost onderscheidde zich vroeger van de rest van de regio als een ‘dorp met status’. Het dorp is al eeuwenlang de hoofdplaats van de gemeente. In ieder geval al vanaf 1685 stond het rechthuis, de voorganger van het gemeentehuis, in Buitenpost. Dit rechthuis zat in het gebouw met de pilaren aan de Voorstraat, dat in 1827 herbouwd is. Daarna zat het gemeentehuis een eindje verderop, in gebouw Nijenstein. Tegenwoordig is het gemeentehuis gevestigd bij het monumentale Jeltingahuis van 1877. Ook stonden er verschillende adellijke states in het dorp, die in de loop der tijd allemaal afgebroken zijn. Het Van Haersma de Withpark, op de hoek van het West en de Parklaan, herinnert nog aan de voormalige Haersmastate (niet te verwarren met de huidige rijksmonumentale boerderij). Naast boeren, middenstanders en arbeiders woonden er vooraanstaande lieden als burgemeesters, notarissen, deurwaarders en huisartsen in het hoofddorp. Dat is ook te zien aan de verschillende notabele woningen die aan de Voorstraat en de Stationsstraat staan. Via de Bûtenpostmer Feart is het dorp verbonden met het kanaal. Vroeger liep de vaart tot aan de Mariakerk. Aan het gedempte deel van de vaart staat een oude tramremise uit 1867 die daar in 1926 is neergezet, uit Leeuwarden, om als opslagplaats voor kolen te dienen en nu de status van rijksmonument heeft. Buurtschappen zijn, naast Lutjepost, De Lêste Stuver (aan de Trekfeart), It Útlân (op het oostelijke kleigebied), een deel van Egypte (aan het spoor) en een deel van Dykhuzen (richting Gerkesklooster). In het West van Buitenpost staat bij de ijsbaan een in 1958/’59 geplaatste watermolen, De Mûnts. Aan de andere kant van de weg staat een voormalige marechausseekazerne. Figuur 26: Rijksmonument Jeltingahuis in Buitenpost Drogeham Wanneer Drogeham precies is ontstaan is niet bekend, maar er wordt verondersteld dat het ergens tussen het jaar 1000 en 1200 is geweest. Waarschijnlijk vormden Drogeham en Kooten vroeger één dorp en werd het later gesplitst in Westerham (het latere Kooten) en Oosterham (het latere Drogeham). Vermoedelijk is Drogeham van Kooten afgesplitst en heeft het geen voorganger gehad in het veengebied bij de rivier, maar is het direct op de hoge zandrug ontstaan. Dat Drogeham op een zandrug ligt, is ook terug te zien in de naam. Drogeham betekent namelijk ‘gebied op het droge’. Onder het dorp vallen de buurtschappen Bouwekleaster en de Hamsterpein (die vroeger beide onder Harkema-Opeinde vielen) en de Hamsherne (in het zuidoosten). De Westerein, waar vroeger verschillende boerderijen stonden, was vroeger ook een buurtschap. Het dorp is ontstaan als een lintdorp langs de lijn TilleweiDe Buorren-De Sânnen. Daarnaast was er een zuidelijke aftakking, de huidige Lytse Wei, die naar de Hamsterheide, het tegenwoordige Harkema liep. Het oude dorp Harkema-Opeinde was vroeger een boerenstreek tussen Drogeham en Augustinusga. Ook stond hier, het in 1249 door Bouwe Harkema, gebouwde Bouwekleaster. Al eerder had hij een kapel op z’n land laten bouwen, die gewijd was aan Nicolaas. Het klooster is na de Hervorming, in 1580, gesloten. Alleen het kerkhof met een klokkenstoel, die in 1950 een ouder exemplaar vervangen heeft, herinnert nog aan het klooster. In 1921 is het oude Harkema-Opeinde bij Drogeham gevoegd. Qua voorzieningen was het al eeuwenlang op Drogeham aangewezen. Rondom de Walburga Tsjerke was een enigszins geconcentreerde bebouwing. De van oorsprong Middeleeuwse kerk is in 1876/’77 opnieuw opgebouwd in neo-romaanse stijl met kleine rondboogvensters. De toren stamt uit begin dertiende eeuw. Ten oosten van de kerk was een brink, een plein beplant met bomen. Dit was uniek voor Fryslân, want brinken komen in deze provincie nauwelijks voor. Vanaf 1920 zijn er helaas huizen op deze brink gebouwd. Op de brink werd twee keer per jaar een veemarkt gehouden. Het beeld van de Hamster Ko, een koe met een boer en een veekoopman, dat hier vlakbij staat, herinnert hier nog aan. Dicht bij de kerk staat een klein karakteristiek woudhuisje van rond 1880. In 1891 is de Hamster Feart gegraven. Deze vaart was bedoeld om het witte zand van de afgegraven hoge landerijen van Drogeham te vervoeren. Op de terugweg brachten de schippers terpaarde mee terug om het boerenland vruchtbaarder te maken. De Hamster Mieden vormt een natuurgebied met onder andere blauwgraslanden, waarin ook de Hege Bult ligt, een voormalig baggerdepot waarop diverse zeggen groeien. Een opvallend landschapselement is de houtwal tussen de Boskloane en de Dykswâl, die als verwijzing naar het karakteristieke landschap van de Wâlden midden tussen de bebouwing is blijven staan. Gerkesklooster-Stroobos De twee dorpen zijn een combinatie van een op een terp ontstaan dorp (Gerkesklooster) en een buurtschap aan het water (Stroobos). Het verhaal van Gerkesklooster begint officieel rond het jaar 1240 toen Gercke Harckema een klooster stichtte op zijn landgoed Wigerathorp (dorp van Wieger). Het is best mogelijk dat er toen al mensen woonden. In het noordelijke kleigebied kwamen verspreide boerderijen te staan. Lange tijd viel het dorp onder Augustinusga en Surhuizum. Gerkesklooster heeft eind achttiende eeuw de dorpsstatus gekregen. Hoewel het in de praktijk al veel langer als een dorp fungeerde, zijn pas in 1787 de officiële dorpsgrenzen vastgesteld. De uitstraling van het dorp kenmerkt zich enerzijds als een oud-middeleeuwse nederzetting. In het noordwesten bevindt zich het restant van het klooster Jeruzalem. Alleen het brouwhuis van het klooster resteert nog. Dit is in 1629 verbouwd tot kerk. In 1786 werd de oostzijde van het kerkgebouw verbouwd tot woonhuis van de predikant en later de koster. In dit gedeelte werden grote rechthoekige vensters geplaatst. De toren stamt uit de negentiende eeuw. Anderzijds kenmerkt Gerkesklooster zich als een plek waar grootschalige industriële bedrijven zich vestigden aan het water. De zuivelfabriek vormt het meest kenmerkende landschappelijke element van het dorp, omdat deze sterk aftekent tegen de rest van de bebouwing. Van oorsprong stonden de meeste huizen langs en in de buurt van het Âld Knillesdjip, ook wel de Aldfeart, genoemd. In de loop der tijd is de bebouwing verschoven naar het kanaal. Daardoor groeide het uiteindelijk vast aan Stroobos. Hier kwam ook, mooi tussen beide dorpen in, de karakteristieke gereformeerde kerk te staan. Aan de Wigerathorp staat het beeld De Tweeling, waar een tweeling op staat die de verbondenheid tussen de twee dorpen voorstelt. Aan de Lauwers of Aldfeart bij Sarabos staat een windmotor uit 1923 die de polder de Twee Provinciën moest bemalen. Ten zuidwesten van Gerkesklooster komt de Strobosser Trekfeart in het kanaal uit. Onder het dorp valt een deel van de buurtschap Dykhuzen, de weg die richting Buitenpost loopt. Stroobos is een relatief jong dorp en is ontstaan bij een strategische plek aan weerszijden van een sluis en brug over het Kolonelsdiep-Hoendiep. Het dorp lag deels in Fryslân en deels in Groningen. In 1993 is het Groningse deel bij Fryslân gevoegd. In de veertiger jaren van de vorige eeuw is het kanaal zuidelijk om de kern van Stroobos heen gelegd. Vroeger vormde dit deel van het kanaal een onderdeel van de vaarverbinding Dokkum-Groningen. De naam Stroobos betekent waarschijnlijk moerassig land begroeid met laag hout (zoals elzen en ander water minnend geboomte). Een andere verklaring is dat Stroobos een wisselplaats voor trekpaarden van schepen was. Als gevolg daarvan woonden er veel scheepsjagers in deze buurtschap. Als een scheepsjager thuis was, hing hij een bosje stro buiten, ten teken dat hij beschikbaar was om met z’n paard een schip voort te trekken. Kootstertille Kooten was van oorsprong een boerenstreek. Het betekent streek van kleine boerenhuizen. Hogerop, richting Eestrum, ontstond de buurtschap Opperkoaten. Het kruispunt Kootstermûne is een belangrijke spil in de verbinding tussen Leeuwarden, Drachten en Buitenpost/Groningen. In de loop der tijd ontstond er ook bebouwing bij de brug over het Kolonelsdiep, de voorganger van het Prinses Margrietkanaal, waardoor de buurtschap Kootstertille ontstond (‘’tille’’ is afgeleid van de oude benaming voor brug). Net voor de oorlog is het kanaal om Kootstertille heen gelegd en kwam er een rondweg om het dorp. Voorheen liep de doorgaande weg over de Tillebuoren en de Âlde Hamsterwei. Hoewel Kootstertille in de loop der tijd groter was geworden dan Kooten werden in 1959 de rollen omgedraaid: Kootstertille werd een dorp en Kooten werd een buurtschap. Verder oostelijk aan het kanaal ontstond ook een buurtschap, de voormalige veenkolonie Mûntsetille. Aan de Harstewei ligt een in de grond uitgegraven ‘poepekrús’, een herinnering aan een Duitse gastarbeider die hier is vermoord. Door de aanwezigheid van het Kolonelsdiep vestigden zich allerlei soorten bedrijven aan het water. Van een schuitenmakerij tot aan een jeneverstokerij en een grutterij. In 1959 kreeg Kootstertille de status van industriekern. De bedrijvigheid kreeg een sterke impuls door de bouw van Bilgaard, de grootste woonwijk van Fryslân in Leeuwarden. Het dorp leverde vele bouwelementen voor dit project. Door de enorme groei van de werkgelegenheid verdubbelde in de periode van 1960 tot 1975 het inwonertal. In het centrum, aan de Âlde Dyk, staat het kunstwerk Ontwikkeling. Dit kunstwerk bestaat uit twee blokken met ruimte ertussen en laat daarmee de ruimtelijke tweedeling van Kootstertille zien. De Âlde Dyk vormt een scheiding tussen enerzijds het oude dorp met industriegebied langs het Prinses Margrietkanaal en anderzijds een nieuw woongebied. De oude kerk van Kooten, die gewijd was aan Benedictus, stond oorspronkelijk bij de Âlde Dyk. Op het voormalige kerkhof tegenover de zuiveringsinstallatie zijn turfsteenresten gevonden die wijzen op een bouwwerk van voor 1150. Op een gegeven moment is de kerk verplaatst naar het centrum van het dorp. Dit was een gotisch gebouw met steunberen en spitsboogvensters. Bij deze kerk heeft een klokkenstoel gestaan. In 1882 is aan de overkant van de Tillebuorren een nieuwe kerk in neoclassistische stijl met een ranke toren gebouwd. Het kerkhof, dat op de oude plek aan de Tillebuorren bleef liggen, herinnert nog aan de plaats van de vorige kerk. Surhuizum Surhuizum is evenals de andere voormalige boerendorpen ontstaan in de Middeleeuwen en had in die tijd het grootste dorpsgebied van de grietenij. Een voorganger van dit dorp lag in de buurt van de Lauwers. Op oude kaarten staat nog een oud kerkhof aangegeven op het Hoogland richting de Lauwers. Het dorp is in zuidwestelijke richting opgeschoven naar een hoge zandrug. De naam Surhuizum is een verbastering van Zuiderhuizen. Het dorp lag in het zuiden van de gemeente. In het dorpsgebied ligt ook één van de voormalige acht karspelen, namelijk Kortwoude. Vanwege overstromingen in 1441 was dit dorp te klein geworden om een eigen kerk te onderhouden en werd het dorp onderdeel van Surhuizum. Surhuizum kenmerkt zich door een lint van boerderijen en andere huizen aan It Noard-Doarpstrjitte-It Súd-Koartwâld. De monumentale Antoniuskerk is herbouwd in 1614 met materiaal van de voorloper. In de muren zitten grote rondboogvensters. Kenmerkend aan deze kerk is de met een luchtbrug verbonden kerktoren. Deze kerktoren vanrond 1300 heeft op elke hoek twee zware steunberen die opgaan tot de top. Heel bijzonder en uniek is de achtzijdig opgemetselde spits. Bij de kerk staat een beeld van de Balkenspringer. Het verhaal gaat dat Cornelis Egberts tijdens de kerkbouw in de kerk van balk tot balk sprong en niet weer tot stilstand kon komen. Bij de kerk staat een karakteristiek verenigingsgebouw met opvallende toren gebouwd in 1928/’29 in de stijl van de Amsterdamse School. Het dorp was via de, niet meer bestaande Surhuizumer Binnenvaart die gegraven was in 1834, verbonden met het kanaal. De vaart liep langs de Uterwei richting Blauforlaet. De nog aanwezige Delfeart zorgde voor de verbinding met het dorpscentrum. Door de Surhuizumer Mieden loopt de Âldfeart. Deze vaart werd gebruikt voor het vervoeren van turf uit de venen uit het zuiden van Achtkarspelen. Langs de vaart werden heel wat huizen gebouwd. Bij Surhuizum horen, naast Koartwâld en de Surhuzumer Mieden, ook de buurtschappen Ophûs (ten westen van de dorpskern) en een gedeelte van Bouwetille aan de Feanster Feart. figuur 27: Rijksmonument Antoniuskerk. Doarpsstrjitte 31 te Surhuizum (1974) (via Rijksmonumenten.nl) Figuur 28: Rijksmonument Kop-hals-romp boerderij te Twijzel Twijzel Oorspronkelijk lagen de dorpen van Achtkarspelen in de streek Twislum (ofwel ‘tweesprong’). Deze lag in het gebied van de tweesprong van de Lauwers en de Âlde Ryd. De naam Twislum is overgegaan op de dorpsnaam van Twijzel. Oorspronkelijk heette het dorp Optwijzel. Het lag hogerop dan het oude Twislum. Twijzel is waarschijnlijk ontstaan bij de Âlde Ryd, in de buurt van de Sânsleat. In de loop der tijd is het dorp verschoven naar de hoge zandrug, waar de andere dorpen ook op liggen. Twijzel heeft de vorm van een langgerekt lintdorp aan de drukke straatweg van Leeuwarden naar Groningen. Opvallend zijn de vele negentiende eeuwse monumentale boerderijen en huizen die er aan deze weg gebouwd zijn. Zo staan er drie grote kop-hals-rompboerderijen naast elkaar aan de Wedzebuorren en twee boerderijen met dwarsgeplaatst voorhuis in eclectische stijl aan Optwizel. Bij het oude dorpshuis aan Optwizel staat een beeld van Date, een heidejongetje uit de roman De Hoara’s fan Hastings van Simke Kloosterman. De Petruskerk, wat een rijksmonument is, staat een beetje excentrisch aan de oostzijde van de lintbebouwing. De toren, waar nog tufsteenelementen in verwerkt zitten, is van rond 1200. In 1692 is de Middeleeuwse kerk afgebroken en vervangen door de huidige. De kerk heeft in de zuidmuur grote, brede spitsboogvensters. De muur aan de noordzijde is geheel gesloten. Bij de haven aan de Twizeler Feart staat een opvallende kerk uit 1935 van de vrije gereformeerde gemeente, die gebouwd is in een bijzondere expresionistische stijl van de Amsterdamse School. In 1698 is de Twizeler Feart gegraven, waardoor het dorp verbinding kreeg met het Kolonelsdiep. In de Twizelermieden, dat nu een prachtig natuurgebied is, zorgden de vrij brede Sânsleat en Miedsleat voor de verbindingen over water. De Wedze, een buurtschap waar een aantal boerderijen aan kwamen te staan, vormt vanouds de verbinding met Zandbulten/Kollumerzwaag. Aan deze weg ligt ook de Bootsma’s Poel, een pingoruïne uit de ijstijd. Egypte, een buurtschap aan het spoor, valt ook deels onder Twijzel.

Rechtspraak bij dit artikel