Hoewel er in Achtkarspelen sporen van de mens zijn gevonden die gedateerd worden tot wel 10.000 jaar terug, heeft de mens voornamelijk pas vanaf de 9e tot de 15e eeuw zijn stempel gedrukt op het landschap. Rond die periode groeide de bevolking van Fryslân en ontstond er logischerwijs meer behoefte aan nieuwe landbouwgronden. Bewoners van de kwelders in het noorden van Fryslân trokken tussen 700 en 1000 via de Lauwers en de Âlde Ryd het gebied binnen. In de buurt van deze rivieren vestigden zich op het veen de eerste bewoners van Achtkarspelen. De boerenhuizen lagen meestal op een rij vlak in de buurt van de beide riviertjes. Om de natte gebieden te ontwateren werden er sloten haaks op deze riviertjes gegraven. Naast het afvoeren van water dienden de sloten ook als kavelgrenzen van de boerenbedrijven. Het waren gemengde bedrijven, er werd zowel aan veeteelt als aan akkerbouw gedaan. Door de afwatering van de sloten en grondbewerking teerde het veenpakket betrekkelijk snel weg. Hierdoor daalde het maaiveld in de droge perioden en was er sprake van wateroverlast in de natte perioden. De boeren werden gedwongen hun boerderijen via het recht van opstrek binnen dezelfde kavelstrook te verplaatsen naar hogere gebieden. Dit recht hield in dat de eigenaar van een perceel in het verlengde opnieuw grond mocht ontginnen. Het nieuwe bouwland werd op het nog hooggelegen veen aangelegd en het oude, ingeklonken veen diende als weiland en hooiland.
Het uiterlijk van de landbouwgronden die nu zo kenmerkend zijn voor de gemeente kreeg langzaamaan zijn vorm. Boeren gingen op de hogere gronden bomen en struiken planten langs de randen van hun percelen. Dit deden zij op een aarden wal met aan weerszijden greppels die als perceel scheiding konden dienen.
Dit zijn de nu welbekende houtwallen of dykswâlen. Op de lagere gronden (net boven NAP) werden sloten gegraven, waar langs de kanten elzenbomen gingen groeien. Hierdoor ontstonden de kenmerkende elzensingels. Verder zijn er de dobben, eveneens karakteristieke kenmerken van het woudenlandschap. Deze waterpoelen zijn natuurlijk ontstaan of uitgegraven door de mens en dienden veelal als drinkplaatsen voor het vee. De dobben maken samen met de houtwallen, de elzensingels en de pingoruïnes het landschappelijk plaatje van Achtkarspelen compleet.
Door schaalvergroting in de landbouw zijn in veel gebieden in Nederland kenmerkende landschapselementen voor kleinschalige landbouw verdwenen. In de Noardlike Fryske Wâlden is dit echter niet het geval. De lokale cultuur is dan ook nauw verweven met het landschap. Dit is terug te vinden in oude volksverhalen van lokale vertellers. Een van die vertellers is Simke Kloosterman. Schrijfster van gedichten en proza over de streek. De gemeente heeft een ‘Poëzieroute Achtkarspelen’ bedacht, zodat bezoekers en inwoners zich net als Simke Kloosterman kunnen laten inspireren door het landschap. Het Nationaal Landschap leent zich ook om vastgelegd te worden op doek. De Twijzeler schoolmeester Harmen van der Bij staat bekend om zijn vele potloodtekeningen van de dykswâlen en elzensingels. Daarnaast worden de bewoners van de Wâlden nog steeds Wâldpiken, ofwel woudkippen, genoemd. Hoewel het woord nu veelal gebruikt wordt als een geuzennaam, werd het vroeger door de rijkere bewoners van de vruchtbare Friese kleigronden gebruikt om de bewoners van de relatief armere oostkant van de provincie aan te duiden.
Figuur 19: Twijzelermieden via Natuurgebied in beeld
In contrast met het gesloten karakter van het houtwallen- en elzensingellandschap is er ook nog een ander landschap in het gebied van de Noardlike Fryske Wâlden te vinden. Dit zijn de Mieden die worden gekenmerkt door weidse, open, laaggelegen hooilandgebieden. Deze laaggelegen gebieden zijn ontstaan door afgegraven en ingeklonken laagveengronden. Deze gronden zijn door het inklinken van het veen ook vrij nat waardoor het landschap erg open is.
Rond de 17e en 18e eeuw werd het hoogveen in het zuiden en het noordwesten van Achtkarspelen ontgonnen om turf van te maken. Dit was de tijd waarin de veenkoloniën Surhuisterveen en Rottevalle ontstonden. Sommige delen van deze gronden werden later gebruikt voor de landbouw. Daar waar de grond niet vruchtbaar werd gemaakt groeide heide. Begin 19e eeuw was het veen bijna volledig ontgonnen en raakten veel veenarbeiders werkloos. Velen van hen vestigden zich op de arme heidegronden en woonden daar in armoedige plaggenhutten ofwel ‘spitketen’. Hierin woonden veelal grote gezinnen. Er ontstonden dorpen die gekenmerkt werden door wijdverspreide bebouwing met spitketen. Omdat de grond maar weinig te bieden had, was dit een periode van grote armoede voor deze heidebewoners. In 1902 zorgde de nieuwe Woningwet ervoor dat de spitketen in de loop der tijd voor een groot deel gesloopt moesten worden. Hier kwamen nieuwe arbeiderswoningen voor in de plaats. Dit zijn de bekende wâldhúskes. Deze kleine boerderijtjes voldeden aan minimale eisen uit de Woningwet van destijds en waren daarom al hele verbetering voor diegenen die voorheen in de spitketen woonden. Dit gebouwde erfgoed is vandaag de dag op verscheidene plekken nog steeds zichtbaar en de volledige geschiedenis van dit gebied wordt uitgelicht in het Openluchtmuseum - Themapark De Spitkeet in Harkema.
Figuur 20: Plaggenhut/spitkeet in Achtkarspelen omstreeks 1905 (via Tresoar))
Figuur 21: De ligging van de Noardlike Fryske Wâlden in het noord- oosten van de provincie Fryslân. De rood gearceerde delen zijn de: Twijzelermieden via Natuurgebied in beeld
Dit alles resulteerde in toch wel het unieke streekgebonden erfgoed dat hier nu te vinden is. Hierin is het gebruik van de gronden erg afhankelijk van de ondergrond/ bodemopstelling.
De stichting Landschapsbeheer Friesland, die zich bezighoudt met de kwaliteit van het Friese landschap, geeft aan dat het gebied door zijn omvang, de relatief kleine percelen en het gesloten karakter, samen met de lokale cultuur, van grote cultuurhistorische, landschappelijke en recreatieve waarde is voor de samenleving. Vanuit recreatie en toerisme wordt er in de beleidsnota van Achtkarspelen ‘Priuw de Wâlden’ erkent dat de recreatieve identiteit van de gemeente Achtkarspelen wordt gevormd door het Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden met haar typische cultuur, natuur, landschappen en verhalen. Het idee is dat er voor bewoners en bezoekers zogenoemde ‘onderscheidene identiteits-dragers’ ontwikkeld worden. Hierbij worden voorbeelden genoemd zoals: een aantrekkelijke natuurspeelplaats (struintuin/moeras), outdoor-voorzieningen, blote-voetenpad, kleinschalige evenementen, start- en eindpunt van recreatieve routes, een nieuwe Mountainbike-trail (eventueel gemeentegrensoverschrijdend) en logiesaccommodaties. Hierdoor zal het eigenzinnige verhaal van de gemeente beleefbaarder worden voor inwoners en bezoekers. Het is dus van collectief belang om het bijzondere landschap met zijn unieke elementen te behouden.
Kavellijnen
Als naar de richting van de kavellijnen gekeken wordt, is duidelijk te zien dat alle lijnen gericht zijn op de beide rivieren. Ook de bochten in de rivieren zijn in de kavelpatronen te ontdekken. Afhankelijk van de bocht waaieren de kavellijnen uit of lopen ze naar elkaar toe. In het stroomgebied van de Âlde Ryd liggen drie kavelstructuren. De eerste is het blok van Harkema-Opeinde – Augustinusga. Deze wordt door de Ee gescheiden van het tweede blok Drogeham en het deel van Kooten tot de Âlde Dyk. De rest van Kooten vormt met Twijzel en Buitenpost het derde blok. De Âlde Ryd vormt de grens tussen de eerste twee blokken en het derde blok. Daardoor lag oorspronkelijk een deel van de dorpen Augustinusga, Harkema-Opeinde en Drogeham ten noorden van het later gegraven Prinses
Margrietkanaal. In het stroomgebied van de Lauwers liggen ook drie kavelstructuren. Het grootste is het blok van Surhuizum. De blokken van Kortwoude en de ‘taartpunt’ in het noorden liggen er haaks op. De grens tussen Surhuizum en Kortwoude werd gevormd door het watertje de Homear. Ook de grens tussen Surhuizum en het blok Harkema-Opeinde – Augustinusga werd gevormd door een sloot met de naam Homear, dat hoofdgrens betekent.
In de Middeleeuwen was Achtkarspelen omgeven door veen. Toen dit veen interessant werd voor de turfwinning, zijn er gemeente- en dorpsgrenzen in deze uitgestrekte venen getrokken. Veelal waren dit gegraven watergangen. De grens tussen Achtkarspelen en (voormalig) Kollumerland c.a. Dantumadiel wordt gevormd door de Swadde. De grens tussen Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel door de Kûkhernster Feart, de Aaltsjemuoisleat, de Skûtsleat, een sloot langs de latere Boskwei en de Mûntsegroppe, een greppel waar later een pad langs kwam te liggen. Deze langgerekte Mûntsegroppe en het verlengde daarvan in noordelijke richting vormt ook een opvallende, voormalige grens tussen de dorpen Drogeham en Harkema-Opeinde. De grens tussen Achtkarspelen en Smallingerland wordt gevormd door de Faasmagreppel, een voormalige greppel langs de latere Ds. Visscherwei en de Hillemagreppel, een greppel in de landerijen tussen Boelenslaan/Surhuisterveen en Houtigehage. Aan de oostkant vormt de Lauwers de grens tussen Achtkarspelen en de (voormalige) gemeente Grootegast.
Bij Gerkesklooster-Stroobos zien we een blokvormige kavelstructuur die kenmerkend is voor het kleigebied. In het zuiden van de gemeente is door veenontginningen een strookvormige verkaveling in kleine blokken ontstaan.
Figuur 22: Kavellijnen, een overzicht van kavelblokken in Achtkarspelen (bron Achtkarspelen-Zuid/Eestrum)
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.2
Het Nationaal Landschap De Noardlike Fryske Wâlden
Onderdeel van Erfgoednota Achtkarspelen