De burgemeester is op grond van artikel 2:49a, tweede lid, van de APV 2011 bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang, indien het in het eerste lid bepaalde wordt overtreden. Omdat de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang aan de burgemeester is verleend, kan de burgemeester er op grond van artikel 5:32 van de Awb voor kiezen om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen.
Indien de burgemeester besluit gebruik te maken van zijn bevoegdheid, dan legt hij een gedragsaanwijzing op in de vorm van een last onder dwangsom, dan wel een last onder bestuursdwang. De gedragsaanwijzing wordt pas ingezet wanneer de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. In een dergelijke gedragsaanwijzing staat welke acties de betrokkene moet ondernemen of juist moet nalaten om te voorkomen dat de dwangsom verbeurt of bestuursdwang wordt uitgevoerd.
Voordat een last wordt opgelegd, wordt eerst een (schriftelijke) waarschuwing opgelegd in het kader van het voorzienbaarheidsvereiste. Hierin wordt ook een redelijke termijn gesteld waarbinnen de overlastgever moet stoppen met zijn of haar gedrag, of welke andere stappen moeten worden ondernomen.
Mochten de in de waarschuwing genoemde gedragingen niet stoppen of afnemen binnen een gestelde termijn, dan wordt het voornemen om een last op te leggen kenbaar gemaakt aan de betrokkene. De betrokkene wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het voornemen kenbaar te maken. De aangevoerde feiten of omstandigheden kunnen al dan niet aanleiding geven om af te zien van het opleggen van een last.
Het opleggen van een last is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, lid 1, van de Awb. Dit houdt in dat de algemene procedures uit de Awb moeten worden gevolgd. Nadat het voornemen om een last op te leggen kenbaar is gemaakt en de betrokkene is gehoord, moet een definitief besluit worden opgesteld en kenbaar worden gemaakt aan de betrokkene. Het besluit moet gericht zijn aan een persoon en kan niet gericht zijn aan een groep.
Indien een betrokkene het niet eens is met het besluit over de gedragsaanwijzing, kan hij hiertegen bezwaar maken. De betrokkene dient binnen zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift in te dienen. Het bezwaar schorst niet de werking van het besluit. Om het besluit te schorsen moet door de betrokkene een voorlopige voorziening bij de rechtbank worden aangevraagd. De voorzieningenrechter kan de voorziening geheel of gedeeltelijk toewijzen of afwijzen. Wijst de voorzieningenrechter de voorziening af, dan blijven de gevolgen van het besluit in stand.
Indien een last onder dwangsom is opgelegd en de gedragsaanwijzing wordt genegeerd, dan volgt, zoals kenbaar gemaakt, verbeuring van de dwangsom. Als dat ook niet werkt, kan de burgemeester met behulp van bestuursdwang ingrijpen. Eventuele kosten die de gemeente maakt kunnen worden verhaald op de betrokkene.
Toezicht op naleving van de opgelegde last is belegd bij toezichthouders van de gemeente. In overleg met de politie wordt afgesproken wie in specifieke gevallen handhaaft.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.2
De last onder bestuursdwang
Onderdeel van Beleidsregels Wet aanpak woonoverlast gemeente Almere