BIJLAGE 1

BELEIDSCYCLUS

OZHZ heeft de opdracht om zorg te dagen voor een goede uitvoeringskwaliteit van VTH-taken in het omgevingsrecht. Wettelijk zijn afspraken gemaakt over wat een goede taakinvulling is en hoe kwaliteit en professioneel werken kunnen worden gewaarborgd. Deze afspraken zijn vastgelegd in kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria zien deels op de organisatie van het werk en deels op de medewerkers die het werk uitvoeren. De kwaliteitscriteria die gelden voor de organisatie bestaan uit ‘procescriteria’: eisen die gelden voor de beleidscyclus.

Door te voldoen aan deze procescriteria ontstaat een sluitende beleidscyclus: de zogenaamde BIG8. De BIG8 omschrijft een proces van plannen, uitvoeren, evalueren en bijsturen. Dit proces heeft tot doel om te leren en te verbeteren en zo een steeds betere kwaliteit van het werk te bereiken en de doelen die we ons zelf stellen, te behalen.

Het model beschrijft in 7 stappen het beleidsproces. Met deze nota geven we invulling aan het strategisch en operationeel beleidskader.

Stap 1: Rapportage & evaluatie

De essentie van dit onderdeel is het analyseren van veranderingen en zaken die belangrijk zijn voor de uitvoering van VTH-taken. Een analyse over inzet, prestaties en resultaten, maar ook een analyse op zaken zoals: hoe actueel is ons bedrijvenbestand, welke problemen, risico’s en ontwikkelingen zien we? Deze analyse voerden we uit voordat we deze nota maakten. De uitkomsten van de evaluatie zijn meegenomen in deze nota (zie hoofdstuk 3 De Evaluatie).

Stap 2: Strategisch beleidskader

Naar aanleiding van de evaluatie vindt bijstelling van het strategisch beleidskader plaats. Welke thema’s en prioriteiten kiezen we? Zo werd uit de analyse duidelijk dat de energietransitie als thema een prominentere plaats moet krijgen in de uitvoering. Ook leggen we hier vast welke doelen en uitgangspunten we belangrijk vinden. Hoofdstuk 2 De Omgeving en 4 Het Beleid vormen het strategisch beleidskader.

Stap 3: Operationeel beleidskader

Het strategisch kader bepaalt de richting. Voor de uitvoering vertalen we dit kader naar concrete strategieën en objectieve criteria voor toetsing: hoe behalen we onze doelen en voeren we onze uitgangspunten en prioriteiten uit? In hoofdstuk 5 De Uitvoeringsstrategie staan de uitvoeringsstrategieën en geeft de invulling aan ons operationeel beleidskader.

Stap 4: Planning & control

Centraal in dit onderdeel van de BIG8 staat het plannen van het werk en het inrichten van de VTH-organisatie. Het plannen van het werk krijgt vorm via de individuele jaarprogramma’s van De opdrachtgevers en in het jaarlijks regionaal uniforme uitvoeringsprogramma voor bedrijven met een gemiddeld risico. Dat is toezicht op basis van thema’s en branches. In de uitvoeringsprogramma’s leggen we vast wat we gaan doen. Onze middelen, zoals financiën en capaciteit, ramen we in P&C-documenten. Denk aan de begroting en de resultaatrekening.

Stap 5: Voorbereiden

Het onderdeel ‘voorbereiden’ betekent dat de organisatorische randvoorwaarden aanwezig zijn om taken uit te kunnen voeren. OZHZ werkt op basis van vooraf vastgestelde werkprocessen en protocollen, waarin de uitvoeringsstrategieën zijn doorvertaald. Zo borgen we een gelijke behandeling van inwoners en bedrijven. Het personeelsbeleid is, evenals het financieel beleid, gericht op het voldoen aan de wettelijke kwaliteitscriteria. Denk aan kennis- en opleidingseisen voor medewerkers. Bij het financieel beleid gaat het om de kadernota, begroting en jaarrekening.

Stap 6: Uitvoeren

Stap 6 is het daadwerkelijk uitvoeren van de VTH-taken volgens de instructies. De organisatie heeft hiervoor voldoende kwalitatieve en kwantitatieve voorzieningen en middelen nodig.

Stap 7: Monitoren

In dit laatste onderdeel vindt monitoring plaats op zaken waarvoor bijsturing relevant is. We kijken of de uitvoering de gewenste resultaten oplevert en hoe de voortgang is. OZHZ rapporteert driemaal per jaar over de jaarprogramma’s per opdrachtgever: twee voortgangsrapportages en een jaarverslag. Over de voortgang en resultaten van het regiobrede programma op basis van thema’s en branches maken we jaarlijks een jaarverslag. Het algemeen bestuur van OZHZ stelt dit vast.

Afbeelding bij dit artikel

BIJLAGE 2

WERKING RISICOMODEL

OZHZ werkt met een risicomodel voor het uitvoeren van toezicht. Hieronder lichten we toe hoe het model werkt. We doorlopen het risicomodel vierjaarlijks. Het loopt parallel met de looptijd van deze nota. Als de planperiode afloopt, evalueren we of het risicomodel bijstelling nodig heeft. Waar we ons concreet in het uitvoeren van toezicht op richten, leggen we jaarlijks vast in een regionaal uitvoeringsprogramma en in de individuele jaarprogramma’s van de gemeentelijke opdrachtgevers.

Stap 1: Activiteiten in beeld

De focus ligt op de activiteiten van inwoners en ondernemers en welke overlast (ongewenste maatschappelijke gevolgen) dit oplevert op basis van mogelijke calamiteiten. Denk bij calamiteiten aan bijvoorbeeld brand, het lekken van giftige stoffen in de bodem of het instorten van een gebouw.

Stap 2: Taken binnen werkdomeinen in beeld

Per activiteit kijken we naar de wettelijke taken die de gemeente heeft om de risico’s bij de activiteit te beperken. Wat gaat er mis als de die taak niet of onvoldoende wordt uitgevoerd? Het antwoord op deze vraag bepaalt de score in het risicomodel. Hoe groter het negatief effect, des te hoger staat de taak op de prioriteitenlijst. Bij OZHZ gaat het in de kern om taken op het gebied van milieu, bestaande bouw en brandveilig gebruik.

Stap 3: Bepalen maximale realistische calamiteit

Per taak bepalen we vervolgens de maximale realistische calamiteit. Hierbij kijken we naar de frequentie, omvang en de impact.

• Bij de frequentie van de calamiteit gaat het om de vraag hoe vaak een maximale realistische calamiteit kan voorkomen

• Bij de omvang kijken we naar de mate van verspreiding van het negatieve effect: raakt het een straat, wijk, een of twee gemeenten of een heel gebied? Hoe merkbaar is het effect?

• Wat de impact is van een calamiteit, hangt af van het thema. We kijken hierbij naar de volgende thema’s:

  • - Gezondheid: de mate van waarin schade aan de gezondheid van de mens ontstaat. Bijvoorbeeld door de uitstoot naar de lucht van een stof die gezondheidsklachten kan opleveren of de kwaliteit van voedsel kan verminderen
  • - Veiligheid: de mate waarin fysiek letsel/ schade aan de mens ontstaat. Bijvoorbeeld slachtoffers door een explosie bij een opslag van gevaarlijke stoffen.
  • - Leefbaarheid: de mate van afbreuk van de fysieke leefomgeving zoals geur- en geluidoverlast. Bijvoorbeeld het ondervinden van overlast van een afzuiginstallatie bij een restaurant. Er is geen sprake van acute schade, het beperkt zich tot hinder.
  • - Duurzaamheid: de mate van aantasting van het leefklimaat. Bijvoorbeeld het borgen van de bodemkwaliteit door het tegen gaan van verontreiniging.

De ranking van de impact loopt van 1 (geen negatief effect) tot 5 (zeer sterk negatief effect).

Stap 4: Bestuurlijke prioriteiten bepalen

Het model biedt ruimte voor bestuurlijke prioriteiten. Bestuurlijk liggen de regionale prioriteiten op het borgen van de risico’s in het kader van veiligheid en gezondheid. Secundair kijken we naar duurzaamheid, waaronder energie. Gemeenten kunnen de lokale afweging maken om in te zetten op het thema Leefbaarheid.

Binnen omgevingsgestuurd handelen kijken we aanvullend op deze thema’s, naar het thema ‘bodemkwaliteit’ voor het taakveld Bodem. Voor het taakveld Natuur sluiten we aan bij de prioritering van de provincie Zuid-Holland.

Stap 5: Uitvoeringsstrategie

In de Uitvoeringsstrategie bepalen we de risicoklassen en de methode per klasse. Zie hiervoor hoofdstuk 5 De Uitvoeringsstrategie.

Afbeelding bij dit artikel

BIJLAGE 3

RISICOKLASSEN TOEZICHT – OMGEVINGSGESTUURD

Natuur

De prioritering houdt rekening met:

• De kwetsbaarheid van de soort;

• Soorten met een afnemende trend in aantallen;

• De impact van de aanvraag op de soort. Dat hangt samen met het aantal nesten en verblijfplaatsen en het type verblijfplaatsen in het project;

• De door provincie Zuid-Holland aangewezen 40 icoonsoorten. De provincie wil graag zoveel mogelijk soorten behouden. Door deze icoonsoorten en hun leefgebied te beschermen, profiteren ook andere soorten.

De soortgroepen vogels, vleermuizen, amfibieën en reptielen, insecten, zoogdieren, vissen en kreeftachtigen en planten krijgen op basis van de criteria een prioritering hoog, midden of laag.

• Hoog met monitoring: Minimaal 2 controles, waarvan minimaal 1 fysiek. Gevolgd door jaarlijks controleren op uitvoering monitoring (voor periode van 3 tot 5 jaar).

• Hoog: Minimaal 2 controles, waarvan minimaal 1 fysiek;

• Midden: Minimaal 1 (administratieve) controle;

• Laag: Geen fysieke controle, alleen administratieve afhandeling;

Soms gaat de inspecteur vaker langs. Bijvoorbeeld bij slecht naleefgedrag van de initiatiefnemer, de combinatie van soorten binnen de vergunning, meerdere projecten in de nabije omgeving, maatschappelijke aandacht of bestuurlijke gevoeligheid.

Indeling van de soortgroepen:

Vogels

• Windturbines: midden

• Jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen van buizerd: midden

• Jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen (bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, ransuil, roek en ooievaar): hoog

Vleermuizen

• Windturbines: midden

• Enkel verblijfplaatsen van individuele dieren en paarplaatsen van gewone- of ruige

• dwergvleermuis: midden

• Kraam- en winterverblijfplaatsen van gewone of ruige dwergvleermuis: hoog

• Verblijfplaatsen overige vleermuizen: hoog

Amfibieën en reptielen

• Ontheffingen anders dan onderzoek (bijvoorbeeld zandhagedis, kamsalamander, rugstreeppad, heikikker): hoog

Insecten

• Insecten met uitzondering van icoonsoorten: midden

• Icoonsoorten: hoog

Zoogdieren

• Zoogdieren (bijvoorbeeld Noordse woelmuis, waterspitsmuis en bever): hoog

Vissen en kreeftachtigen

• Kreeftachtigen: midden

• Vissen (bijvoorbeeld grote modderkruiper): hoog

Planten

• Planten met uitzondering van icoonsoorten: midden

• Icoonsoorten: hoog

Opvanglocaties en wetenschappelijk onderzoek valt voor elke soortgroep in categorie ‘laag’.

BIJLAGE 4

RISICOKLASSEN TOEZICHT – OVERHEIDSGESTUURD

Afbeelding bij dit artikel

Afbeelding bij dit artikel

Afbeelding bij dit artikel

Afbeelding bij dit artikel