Paragraaf 1 Voorzieningen op grond van de Jeugdwet
Artikel 9. Algemene voorzieningen jeugd
1. Onder de algemene voorzieningen voor jeugd vallen:
a. Sociale basisinfrastructuur waar onder andere het Centrum voor Jeugd en Gezin onderdeel van uitmaakt.
b. (vervallen)
c. (vervallen)
2. Het college heeft de bevoegdheid de in het eerste lid genoemde vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen nader te benoemen.
Artikel 10. Maatwerkvoorzieningen jeugd
1. Onder de maatwerkvoorzieningen voor jeugd vallen:
a. de specialistische jeugdhulpvoorzieningen, die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;
b. gesloten jeugdhulp.
2. Het college kan nadere regels stellen voor de maatwerkvoorzieningen jeugd en/of een deel daarvan als vrij toegankelijk benoemen.
3. De inzet van jeugdhulp moet bijdragen aan het behalen van gestelde doelen, acceptatie van de ontstane situatie en toewerken naar zelfredzaamheid of normalisering.
4. Bij de toetsing voor een maatwerkvoorziening jeugd wordt afgewogen of behandeling van uiteenlopende problematiek van ouders en/of het gezinssysteem prioriteit behoeft alvorens individuele jeugdhulp zinvol is. Te denken valt aan maatschappelijke, psychische, relationele of financiële problematiek.
Artikel 10a. Jeugdhulpvervoer
1. Vervoer van jeugd is in het beginsel een eigen verantwoordelijkheid van ouder(s) en/of verzorger(s) en hun netwerk. Dit geldt tevens voor de aanvraag van een verlenging van het vervoer.
2. Jeugdhulpvervoer kan worden ingezet indien dit naar het oordeel van de toegang en het college noodzakelijk is, wanneer:
a. er sprake is van medische noodzaak of een gebrek aan zelfredzaamheid en
b. een jeugdige een verwijzing heeft naar jeugdhulp op basis van de Jeugdwet en
c. deze hulp of zorg niet gerealiseerd kan worden door het ontbreken van de mogelijkheid om de jeugdige op locatie van de jeugdhulpaanbieder te brengen.
3. Vervoer wat moet worden bekostigd vanuit andere wetgeving wordt niet bekostigd vanuit de Jeugdwet:
- Vervoer door middel van ambulance of ziekenvervoer valt onder de Zvw;
- Vervoer voor behandeling of dagbesteding verwezen vanuit de Wlz valt onder de Wlz;
- Vervoer van en naar school valt onder Leerlingenvervoer.
4. Het college kan nadere regels en voorwaarden stellen over de toekenning van jeugdhulpvervoer.
Paragraaf 2 Voorzieningen op grond van de Wmo
Artikel 11. Algemene voorzieningen op grond van de Wmo
1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning.
2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners.
3. Een algemene voorziening wordt uitgevoerd door een door de gemeente gecontracteerde derde en is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken:
a. de inwoner heeft onderdak;
b. de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren;
c. de inwoner kan deelnemen aan de samenleving;
d. de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren;
e. de inwoner heeft een structuur/ invulling van de dag;
f. de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit;
g. de mantelzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast.
4. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 11a. Maatwerkvoorzieningen huishoudelijke hulp en resultaatgebieden
1. Een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp kan toegekend worden om één van de volgende resultaten te bereiken:
a. de inwoner woont in een schoon en leefbaar huis;
b. de inwoner beschikt over goederen voor primaire levensbehoeften;
c. de inwoner beschikt over schone, draagbare en doelmatige kleding en beddengoed;
d. de inwoner zorgt thuis voor kinderen die tot het gezin behoren;
e. de inwoner voert een gestructureerd huishouden.
2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 11b. Maatwerkvoorziening begeleiding
1. Een maatwerkvoorziening begeleiding kan toegewezen worden wanneer de in artikel 11 genoemde resultaten niet behaald kunnen worden met een algemene voorziening. Dit geldt in ieder geval voor:
a. de begeleiding binnen het ontmoetingscentrum dementie;
b. begeleiding en opvang van inwoners waar gezien de aard van de problematiek een aparte voorziening voor getroffen moet worden.
2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 11c. Maatwerkvoorzieningen Ondersteuning met wonen en opvang
1. Een maatwerkvoorziening Ondersteuning met wonen en Opvang kan worden toegekend aan een inwoner met psychische of psychosociale of psychiatrisch ziektebeeld en/of een inwoner die dak- en/of thuisloos is geraakt. De maatwerkvoorziening:
a. ondersteunt de inwoner bij het zich handhaven in de samenleving;
b. levert een passende bijdrage aan de behoefte van de inwoner aan Ondersteuning met wonen of Opvang;
c. realiseert een situatie waarin de inwoner (indien mogelijk) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
2. Het college kan Ondersteuning met wonen verstrekken aan inwoners:
a. Vanaf minimaal 18 jaar.
b. Waar sprake is van diagnostiek rondom een psychische aandoening of een ernstig vermoeden van een psychische aandoening en/of sprake van psychosociale problematiek. Als diagnose niet mogelijk is moet er sprake zijn van aantoonbaar onvermogen om zichzelf staande te houden in een zelfstandige woning. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ of Maatschappelijke opvang.
c. Waar geen voorliggende voorzieningen mogelijk zijn (Wlz, Zvw, Jeugdwet, Participatiewet).
d. Waar op het moment van onderzoek geen sprake (meer) is van een klinische behandeling (Zvw) of de klinische behandeling zal binnen uiterlijk 60 dagen eindigen.
e. Die stabiliteit en structuur nodig hebben.
f. Die tijdelijk of nog niet zelfstandig kunnen wonen.
g. Die behoefte hebben aan 24/7 toezicht en/of oproepbaarheid van ondersteuning.
3. Opvang verstrekken aan inwoners waar sprake is van:
a. Dak- en/of thuisloosheid: als gevolg van psychische problemen, schulden, verslaving en/of werkeloosheid heeft de inwoner geen onderdak en adres om te wonen of te logeren.
b. Onvoldoende steunend netwerk: de inwoner heeft geen familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en/of buren die praktische, sociale of emotionele steun kunnen bieden.
c. Onvoldoende zelfredzaam zijn: de inwoner heeft onvoldoende vermogen om zichzelf te redden op alle leefgebieden.
4. Het college kan vanaf 16.5 jaar meekijken voor het komen tot een perspectiefplan voor de Wmo vanaf 18 jaar, met als doel om een overgang van Jeugdwet naar Wmo soepel te laten verlopen.
5. Het college kan nadere regels en voorwaarden stellen over de beoordeling en toekenning van de maatwerkvoorziening Ondersteuning met wonen en Opvang.
Paragraaf 3 Voorzieningen op grond van de Participatiewet en IOAW/IOAZ
Artikel 12. Ondersteuning en voorzieningen voor arbeidsinschakeling
1. Het team biedt aan een belanghebbende ondersteuning of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
2. De omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van deze verordening hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik kan maken van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:
a. de opvang van ten laste komende kinderen tot 5 jaar, en
b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
3. Aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a onder 4 en 7 van de Participatiewet kan het college een bijdrage vragen in de kosten van de voorziening.
4. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan de inzet van een voorziening nadere verplichtingen verbinden.
5. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, een voorziening weigeren als:
a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt geen belanghebbende is op grond van de verordening;
b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of
e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
6. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, een voorziening beëindigen als:
a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;
b. de persoon die aan de voorziening deelneemt geen belanghebbende is op grond van de verordening;
c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;
d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer bijdraagt aan een duurzame arbeidsinschakeling;
e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;
f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of
g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
Artikel 13. De voorzieningen
1. Onder de voorzieningen voor arbeidsinschakeling vallen in ieder geval de volgende voorzieningen:
a. Werkervaringstraject
b. Proefplaatsing
c. Scholing en/of opleiding
d. Jobcoaching
e. Bemiddeling
f. vervallen
g. vervallen
h. vervallen
i. Sociale activering
j. Aanpassingen op de werkplek
k. Opstapsubsidie
l. Loonkostensubsidie
2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
3. Het college kan een voorziening in de vorm van een proefplaatsing aanbieden voor de duur van maximaal 2 met de mogelijkheid om deze maximaal 4 maanden te verlengen. Als de proefplaatsing naar het oordeel van het college bijdraagt met het doel om werkervaring op te doen met behoud van uitkering. Het betreft werkervaring in de toekomstige functie bij de werkgever, voorafgaand aan een regulier dienstverband, om daarmee uitval na indiensttreding te voorkomen.
4. Het college biedt een proefplaatsing aan:
1. indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en hierdoor geen verdringing van reguliere arbeid plaatsvindt;
2. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever,
of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en
3. de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen.
5. Tussen partijen wordt in ieder geval vastgelegd:
het doel en de periode van de proefplaatsing en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.
6. Het college weigert de voorziening genoemd in lid 3 als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk
7. Als de werkzaamheden op de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
8. Het college kan een voorziening in de vorm van Jobcoaching aanbieden als er sprake is van een dienstbetrekking en ondersteuning noodzakelijk is voor het verrichten van taken op de werkplek. Het doel van jobcoaching is het bieden van ondersteuning en begeleiding op de werkplek om ervoor te zorgen dat de werkzaamheden zo zelfstandig mogelijk verricht kunnen worden.
9. Het college kan ambtshalve of op aanvraag persoonlijke ondersteuning in de vorm van jobcoaching aanbieden:
a. voor de duur van 12 maanden, tenzij 6 maanden naar het oordeel van het college voldoende is;
b. in de vorm van jobcoaching in natura door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van [(de gemeente) OF (een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht)]. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan;
c. in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor jobcoaching door een interne of externe jobcoach;
10. Tussen partijen wordt in ieder geval vastgelegd: het doel en de periode van de jobcoaching en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.
11. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen:
a. de jobcoach heeft een HBO-opleiding met succes afgerond of beschikt over (tenminste) HBO werk- en denkniveau; en
b. de jobcoach heeft een opleidingsmodule voor jobcoach gevolgd en een diploma of certificaat behaald;
c. de jobcoach van de organisatie, die de externe jobcoach levert, dient te voldoen aan het erkenningskader van het UWV of aan vergelijkbare eisen. Dit dient naar het oordeel van het college op verzoek voldoende te worden aangetoond met bewijsstukken.
12. De tarieven van jobcoaching zijn afhankelijk van de soort jobcoaching die wordt ingezet. Deze tarieven zijn gebaseerd op de normtarieven van het UWV volgens het begeleidingsregime licht
a. Voor jobcoaching via een externe of gemeentelijke jobcoach wordt het geldende uurtarief van het UWV gehanteerd.
b. Voor jobcoaching via een interne jobcoach in dienst van de werkgever wordt een vast bedrag aan de werkgever toegekend. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat UWV hanteert voor de interne begeleiding bij een werkweek van 24 uur of meer. Indien een werknemer minder dan 24 uur werkt of korter dan 12 maanden, wordt het bedrag naar rato naar beneden bijgesteld.
c. Voor jobcoaching tijdens de proefplaatsing geldt een vast bedrag dat overeenkomt met het bedrag dat het UWV hiervoor hanteert.
Artikel 13a. Voorzieningen belanghebbende met arbeidsbeperking
1. Naast de voorzieningen genoemd in artikel 13, kan het college een voorziening verstrekken ten behoeve van een belanghebbende met een arbeidsbeperking. Het betreft de voorzieningen:
a. persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoaching en interne werkbegeleiding)
b. vervoersvoorzieningen
c. intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap
d. meeneembare voorziening
2. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
3. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
Artikel 13b. Voorwaarden en procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet aanbieden ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.
2. Het college kan overige voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet aanbieden ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.
3. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, de volgende voorwaarden:
a. de persoon is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten;
b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week;
d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
f. er naar het oordeel van het college geen sprake is van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en
g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel.
4. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever.
5. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
6. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
7. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.
8. Het college besluit binnen 8 weken op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
9. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan:
a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;
b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag;
c. de duur en intensiteit van de ondersteuning;
d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening.
Artikel 13c. Persoonlijke ondersteuning in de vorm van interne begeleiding
1. Het college kan voor interne begeleiding een training bieden aan de werkgever indien de belanghebbende met een arbeidsbeperking voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat.
2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor één medewerker per belanghebbende om hem interne werkbegeleiding te bieden.
Artikel 13d. Vervoersvoorziening
1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking op grond van artikel 21 van de verordening niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en
b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.
3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en is op basis goedkoopst adequaat tarief.
4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
Artikel 13e. Intermediaire activiteit
1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.
Artikel 13f. Meeneembare voorziening
1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken.
2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.
3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
Artikel 14. Scholing
1. De scholing en/of opleiding als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub c van deze verordening moet gericht zijn op arbeidsinschakeling en is gemaximeerd tot het niveau van een startkwalificatie.
2. Het college kan op individuele gronden besluiten de in het eerste lid bedoelde scholing en/of opleiding te laten volgen op een ander niveau.
Artikel 15. Premie en scholing bij participatieplaats
1. Het college verstrekt aan belanghebbende die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht volgens artikel 10a lid 6 van de Participatiewet een premie van telkens € 150 per zes maanden.
2. De premie kan worden geweigerd als bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden.
3. De scholing en/of opleiding als bedoeld in artikel 10a lid 5 van de Participatiewet moet gericht zijn op arbeidsinschakeling en is gemaximeerd tot het niveau van een startkwalificatie.
Artikel 16. Beschut werk
1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan een belanghebbende die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.
2. Om het in artikel 10b lid 1 van de Participatiewet bedoelde beschut werken mogelijk te maken, kan het college in ieder geval de volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.
3. (vervallen).
4. (vervallen)
5. De datum van het (positief) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van het aanbod van de voorziening beschut werk, tenzij maatwerk noodzakelijk is.
Artikel 17. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort
1. Het college stelt vast of een belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.
2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:
a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7 lid 1 sub a van de Participatiewet;
b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en
c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
3. Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.
4. Het aanvraagproces loonkostensubsidie is beschreven in bijlage 2.
Artikel 18. Vaststelling loonwaarde
1. Het college gebruikt de in bijlage I omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen.
2. Het UWV adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Het UWV neemt daarbij de in bijlage I omschreven methode in acht.
Artikel 19. No-riskpolis
Vervallen.
Artikel 20. Sociale activering
1. Het college kan aan een belanghebbende activiteiten aanbieden in het kader van participatie in de maatschappij gericht op arbeidsinschakeling als de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen.
2. Het college stemt de activiteiten en duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
Artikel 21. Onkostenvergoeding
1. Het college kan in aanvulling op voorliggende voorzieningen een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten in het kader van re-integratie. Deze vergoeding geldt voor uitkeringsgerechtigden volgens de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Het gaat hierbij in ieder geval om:
a. reiskosten
b. kinderopvang
c. overige kosten
2. Het college kan nadere regels vaststellen over de toekenning van de in het eerste lid bedoelde vergoedingen.
Artikel 21a. Reiskosten
1. Het college kan aan de belanghebbende een vergoeding verstrekken voor de gemaakte kosten voor vervoer, voor zover het college dit vervoer noodzakelijk acht voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen die verbonden zijn aan arbeidsinschakeling.
2. In afwijking van lid 1 wordt de belanghebbende binnen een reisafstand van 10 kilometer (enkele reis) geacht te kunnen lopen of fietsen en komen reiskosten niet in aanmerking voor vergoeding. Dit wordt berekend van vertrekadres tot bestemmingsadres via Routenet.nl (kortst mogelijke route met de fiets).
3. Het college kan besluiten van lid 2 af te wijken, als lopen of fietsen vanwege de persoonlijke situatie, redelijkerwijs niet van de belanghebbende verlangd kan worden.
4. Vergoeding van reiskosten vindt plaats op basis van de kosten van openbaar vervoer tweede klasse, waarbij de goedkoopste mogelijkheid vergoed wordt.
5. In uitzonderingsgevallen kan overgegaan worden tot vergoeding van de kosten van eigen vervoer; voor de bepaling van de kosten wordt aangesloten bij de maximale onbelaste vergoedingen volgens de belastingwetgeving, waarbij de kortste reisafstand gehanteerd wordt.
6. De vergoeding wordt periodiek uitbetaald.
7. Gemaakte reiskosten kunnen tot maximaal drie maanden na de periode waarop ze betrekking hebben gedeclareerd worden.
Verwijzingen
- Artikel 20
- artikel 5
- artikel 7
- Artikel 11
- Artikel 13e
- artikel 10
- artikel 8a
- artikel 10b
- artikel 10a
- Artikel 13c
- artikel 8a
- Artikel 21a
- Artikel 13a
- Artikel 11b
- artikel 11
- artikel 8a
- artikel 13
- Artikel 17
- artikel 7
- artikel 1
- Artikel 11c
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 15
- Artikel 13f
- Artikel 21
- Artikel 10a
- Artikel 13d
- Artikel 13b
- Artikel 14
- Artikel 11a
- artikel 13
- Artikel 13
- Artikel 9
- artikel 10a
- Artikel 16
- artikel 7
- Artikel 10
- Artikel 12