Paragraaf 1 Tegenprestatie
Artikel 31. Inhoud van de tegenprestatie
Het college kan naar vermogen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden opdragen die re-integratie niet als doel hebben en worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Artikel 32. Verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie
1. Het college kan in ieder geval een tegenprestatie naar vermogen opleggen aan:
a. belanghebbenden met een uitkering die na ondersteuning richting werk geen reguliere betaalde baan hebben gevonden;
b. belanghebbenden die naar oordeel van het college baat hebben bij het leveren van een tegenprestatie om isolement op te heffen/te voorkomen en het welbevinden te bevorderen.
2. Bij het opleggen van de verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren:
a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;
b. de persoonlijke situatie van een belanghebbende moet in aanmerking genomen worden;
c. als een belanghebbende al betaalde arbeid, vrijwilligerswerk of mantelzorg als bedoeld in de Wmo verricht, moet daarmee rekening gehouden worden.
Artikel 33. Duur en omvang van de tegenprestatie
De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 500 uur per jaar en maximaal 20 uur per week.
Artikel 34. Geen werkzaamheden voorhanden
1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden als bedoeld in artikel 31 van deze verordening voorhanden zijn die ingezet kunnen worden als tegenprestatie.
2. Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college periodiek of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die ingezet kunnen worden als tegenprestatie.
Paragraaf 2 Individuele inkomenstoeslag en studietoeslag
Artikel 35. Indienen verzoek
Een verzoek als bedoeld in artikel 36 lid 1 en artikel 36b lid 1 van de Participatiewet wordt schriftelijk ingediend.
Artikel 36. Langdurig laag inkomen
Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36 lid 1 van de Participatiewet als gedurende een referteperiode van 3 jaar het in aanmerking te nemen inkomen gemiddeld niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 sub c van de Participatiewet.
Artikel 37. Hoogte individuele inkomenstoeslag
1. Een individuele inkomenstoeslag wordt berekend van de norm genoemd in artikel 21 onderdeel b van de Participatiewet per 1 januari van het betreffende kalenderjaar en bedraagt per 12 maanden afgerond in hele euro’s voor:
a. alleenstaanden: 30% van deze norm
b. alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar: 35% van deze norm
c. alleenstaande ouders met ten minste 1 kind in de
leeftijd van 12 jaar tot 18 jaar: 40% van deze norm
d. gehuwden: 40% van deze norm
e. gehuwden met ten minste 1 kind in de leeftijd
van 12 jaar tot 18 jaar: 45% van deze norm
2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13 van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden met inachtneming van artikel 32 lid 3 van de Participatiewet.
Artikel 38. Voorwaarden individuele studietoeslag
Vervallen.
Artikel 39. Hoogte en betaling individuele studietoeslag
Vervallen.
Paragraaf 3 Afstemming
Paragraaf 3.1. Niet of onvoldoende meewerken aan een verplichting tot arbeidsinschakeling en tot tegenprestatie met uitzondering van de verplichtingen in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet
Artikel 40. Gedragingen Participatiewet
Belanghebbende wordt geacht zich te houden aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9, 9a en 55 van de Participatiewet. Het college legt een maatregel op indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan één van de onderstaande gedragingen. De gedragingen zijn onderverdeeld in vier categorieën.
a. eerste categorie:
1. Niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of;
2. Het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering indien dit in het Plan Inburgering en Participatie is bepaald.
b. tweede categorie:
1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet of het opstellen van een individueel plan van aanpak;
2. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 van de Participatiewet;
3. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub b van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsverplichting voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 9a lid 1 van de Participatiewet;
4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub c van de Participatiewet.
c. derde categorie:
1. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
2. het niet meewerken aan een nadere verplichting gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet.
d. vierde categorie:
Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden of te behouden voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet.
Artikel 41. Gedragingen IOAW/IOAZ
Belanghebbende wordt geacht zich te houden aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 37 en 38 van de IOAW/IOAZ. Het college legt een maatregel op indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan één van de onderstaande gedragingen. De gedragingen zijn onderverdeeld in vier categorieën.
a. eerste categorie:
Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.
b. tweede categorie:
1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen van een individueel plan van aanpak;
2. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37 lid 1 sub e van de IOAW of IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsverplichting voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid 12 van de IOAW of IOAZ;
3. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37 lid 1 sub f van de IOAW of IOAZ.
c. derde categorie:
Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.
d. vierde categorie:
1. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
2. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
3. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
4. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
5. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 sub e van de IOAW of IOAZ.
Artikel 42. De hoogte en duur van een maatregel
1. In geval belanghebbende zich niet houdt aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 40 of 41 wordt de maatregel vastgesteld op:
a. eerste categorie: 10% van de norm gedurende één maand;
b. tweede categorie: 20% van de norm gedurende één maand;
c. derde categorie: 50% van de norm gedurende één maand;
d. vierde categorie: 100% van de norm gedurende één maand.
2. De beoordeling van een maatregel vindt bij gehuwden voor de partners afzonderlijk plaats.
3. Als er sprake is van een gedraging van de eerste categorie kan volstaan worden met het geven van een waarschuwing als gedurende twee voorafgaande jaren geen andere waarschuwing of maatregel op grond van deze paragraaf of op grond van artikel 18 lid 4 Participatiewet is opgelegd.
Artikel 43. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ
Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren volgens artikel 20 van de IOAW of IOAZ naar de mate en naar de periode waarin belanghebbende inkomen had kunnen verwerven of heeft verloren.
Paragraaf 3.2 Niet of onvoldoende meewerken aan verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling zoals in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet
Artikel 44. De hoogte en duur van een maatregel
Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de norm gedurende één maand.
Artikel 45. Verrekenen maatregel
Als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, wordt het bedrag van de verlaging als bedoeld in artikel 44 van deze verordening, verrekend in drie gelijke delen over de maand van oplegging van de maatregel en de twee volgende maanden
Paragraaf 3.3. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel
Artikel 46. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
1. Voor zover nog niet genoemd in artikel 40, wordt indien belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond als bedoeld in artikel 18 lid 2 van de Participatiewet de uitkering verlaagd:
a. met 100% van de norm gedurende één maand, indien belanghebbende verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft op een uitkering krachtens een sociale verzekering of een andere voorliggende voorziening;
b. met 100% van de norm gedurende de periode, dat de belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken zou hebben aangewend.
2. Indien belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont in de zin van het niet verkrijgen, aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaand aan de melding wordt de uitkering met 100% gedurende één maand verlaagd.
3. Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aangemerkt. De uitkering wordt gedurende drie maanden verlaagd.
4. De verlaging op grond van het derde lid bedraagt de eerste maand 100% en de tweede en derde maand 20% van de norm.
5. In afwijking van artikel 51 kan de verlaging direct bij aanvang van de uitkering ingaan.
Artikel 47. Zeer ernstige misdragingen
Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet en de IOAW/IOAZ zoals bedoeld in de artikelen 9 lid 6 Participatiewet en 37 lid 1 onder g IOAW/IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van 50% van de norm gedurende een periode van één maand.
Artikel 48. Niet nakomen van overige verplichtingen
1. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt anders dan een verplichting gericht op arbeidsinschakeling, wordt voor zover deze gedraging niet valt onder een verplichting van artikel 18 lid 4 van de Participatiewet, een verlaging toegepast van 20% van de norm gedurende één maand.
2. Als een belanghebbende de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17 lid 2 of 4 van de Participatiewet of artikel 13 lid 2 of 4 van de IOAW of IOAZ niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast van 10% van de norm gedurende één maand.
3. Als sprake is van een gedraging zoals genoemd in het tweede lid kan eenmalig worden volstaan met het geven van een waarschuwing.
Paragraaf 3.4. Het besluit tot opleggen van een maatregel
Artikel 49. Horen van belanghebbende
Voordat een maatregel wordt opgelegd kan een belanghebbende mondeling of schriftelijk in de gelegenheid gesteld worden zijn zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 50. Individuele beoordeling en afzien van een maatregel
1. Het college ziet af van een maatregel als:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden.
2. Het college kan afzien van een maatregel als:
a. het daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of
b. als dit naar het oordeel van het college gelet op bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de voortgang van het integraal plan.
3. Als het college afziet van een maatregel op grond van het tweede lid, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Artikel 51. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel
1. Een maatregel wordt toegepast op de uitkering over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm.
2. Indien een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan deze met terugwerkende kracht toegepast worden op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden.
3. Voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald kan de maatregel uitgevoerd worden in de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden in afwijking van het eerste en tweede lid.
4. Als de maatregel niet op de wijze zoals hiervoor vermeld kan worden geëffectueerd, kan de maatregel op een volgende uitkeringsperiode worden uitgevoerd, waarbij de termijn van artikel 50 lid 1 sub b van deze verordening in acht wordt genomen.
Artikel 52. Berekeningsgrondslag
1. De maatregel wordt toegepast over de norm.
2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien:
a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend op grond van artikel 12 van de Participatiewet, of
b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.
3. De maatregel kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop belanghebbende recht zou hebben gehad, gedurende de periode waarop de maatregel betrekking heeft, indien er geen grond voor een maatregel zou zijn geweest.
Artikel 53. Samenloop van gedragingen
1. Indien een belanghebbende zich tegelijk schuldig maakt aan verschillende gedragingen, wordt uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel gesteld is.
2. In afwijking van het eerste lid wordt een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoveel mogelijk gelijktijdig met een andere maatregel toegepast.
Artikel 54. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ
Als toepassing wordt gegeven aan artikel 43 van deze verordening, zijn voor dezelfde gedragingen de artikelen 41 en 42 van deze verordening niet van toepassing.
Artikel 55. Recidive
1. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel opgelegd is, opnieuw schuldig maakt aan verwijtbaar gedrag van dezelfde of hogere categorie of verwijtbaar soortgelijk gedrag als bedoeld in de artikelen 40, 41, 43, 46, 47 en 48. Dit geldt ook als er sprake is van recidive door een gedraging als genoemd in dit lid na een eerdere verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet.
2. Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet bedraagt de verlaging 100% van de uitkering gedurende twee maanden.
3. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen gelijkgesteld.
Artikel 56. De beslissing tot opleggen van een maatregel
1. In de beslissing tot het opleggen van een maatregel van de uitkering worden in ieder geval vermeld:
a. de reden van de maatregel;
b. de duur van de maatregel;
c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en
d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging;
e. de ingangsdatum van de maatregel.
2. De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, met uitzondering van de maatregelen op grond van artikel 18 lid 4 van de Participatiewet.
3. De maatregel die is opgelegd wegens het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet wordt afgestemd op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven als gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 57.
Vervallen
Paragraaf 4 Handhaving
Artikel 58. Preventie
Het college draagt zorg voor vroegtijdige en duidelijke voorlichting aan inwoners en belanghebbenden. Hier valt tevens onder dat duidelijke afspraken onderdeel zijn van de dienstverlening gedurende de periode van de uitkering.
Artikel 59. Controle
1. Het college controleert op afspraken, signalen en (anonieme) meldingen en anticipeert op gedrag van de belanghebbende of zijn huisgenoten. De dienstverlening is daarbij gericht op vroegtijdige detectie en afhandeling. Daarnaast voert het college nadere onderzoeken op maat uit.
2. Het college kan voor de controle- en opsporingstaken opdracht geven aan de sociale recherche.
Artikel 60. Opsporing en sanctionering
1. Indien belanghebbende zich, zonder dat er sprake is van een dringende reden, niet of onvoldoende houdt aan afspraken en/of verplichtingen op grond van de wet, dan heeft dit consequenties.
2. Indien het fraudebedrag boven de aangiftegrens komt, wordt proces verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie volgens de regels van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude.
Artikel 6
Specifieke bepalingen Participatiewet en IOAW/IOAZ
Onderdeel van Verordening sociaal domein Alphen aan den Rijn
Verwijzingen
- Artikel 37
- Artikel 40
- artikel 32
- artikel 36b
- artikel 18
- artikel 36
- Artikel 31
- Artikel 38
- Artikel 34
- Artikel 35
- artikel 9
- Artikel 32
- Artikel 36
- Artikel 39
- artikel 5
- artikel 9
- Artikel 33
- artikel 56a
- artikel 21
- artikel 36
- artikel 51
- artikel 18
- artikel 9a
- Artikel 58
- artikel 38
- artikel 18
- Artikel 45
- Artikel 41
- artikel 9
- artikel 18
- Artikel 59
- Artikel 48
- Artikel 43
- artikel 37
- artikel 13
- artikel 18
- Artikel 49
- Artikel 42
- Artikel 57
- Artikel 56
- artikel 18
- Artikel 54
- artikel 18
- Artikel 50
- Artikel 55
- artikel 37
- Artikel 46
- artikel 40
- artikel 40
- artikel 18
- artikel 18
- Artikel 53
- artikel 18
- artikel 17
- artikel 18
- Artikel 44
- artikel 9
- Artikel 47
- Artikel 52
- artikel 18
- Artikel 60
- artikel 43
- artikel 50
- artikel 37
- Artikel 51