Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 2.3

Onderzoek

Onderdeel van Beleidsregels – Jeugdhulp gemeente Vijfheerenlanden

Beleidsregel (9) Onderzoek Het college heeft de bevoegdheid tot het onderzoeken van een aanvraag voor Jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. In de praktijk laat het college het onderzoek en de in dit kader te voeren gesprek(ken) uitvoeren door of onder supervisie van een SKJ (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd) geregistreerde medewerker. Het college beslist op een aanvraag voor Jeugdhulp. Beleidsregel (10) Inlichtingen en medewerkingsplicht Het college verstaat onder de medewerkingsplicht in ieder geval dat de jeugdige en/of ouder(s) medewerking verlenen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de (beoordeling van de) aanspraak op een voorziening. Beleidsregel (11) Stappen van het onderzoek Het college doorloopt een aantal stappen bij het uitvoeren van een onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor Jeugdhulp. Als één of meerdere van deze zaken bij het college voldoende bekend zijn, kan het college na afstemming en met instemming van de Jeugdige en/of ouder(s) afzien van (onderdelen) van deze stappen. Dit vermeldt het college in de besluitvorming. De aanvraag In het kader van efficiëntie en om te voorkomen dat er onnodig een onderzoek wordt uitgevoerd, toetst het Sociaal Loket bij de aanvraag voor Jeugdhulp of de Jeugdwet van toepassing is. Als het verzoek om hulp- of ondersteuning op een andere manier zou kunnen worden opgelost, wordt dit door het Sociaal Loket aangegeven en actief naar deze andere mogelijkheden doorverwezen. Stappenplan Centrale Raad van Beroep Stap 1 - Inventariseer de behoeften, kenmerken en de ondersteuningsvraag Het college onderzoekt de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige of ouder(s). Hoe ziet de situatie eruit? Wat is precies de ondersteuningsbehoefte waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) zich meldt bij het college? Stap 2 - Breng de onderliggende problematiek in kaart Het college onderzoekt bij deze stap welke problemen de jeugdige en/of ouder(s) ervaren. Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen zijn dat. Daarnaast wordt onderzocht welke belemmeringen worden ervaren bij het veilig en gezond opgroeien, opvoeden, het zelfstandig worden, de zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving? Stap 3 - Stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan het college bepalen welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan het veilig en gezond opgroeien en opvoeden, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn, maatschappelijk te participeren en zich te kunne handhaven in de samenleving. Deze vraag moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een manier die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Stap 4 – Wat kan de jeugdige en/of ouder(s) op eigen kracht? Het college onderzoekt wat de jeugdige en/of ouder(s) op eigen kracht kan/kunnen doen om de problemen die met betrekking tot de jeugdige worden ervaren bij het veilig en gezond opgroeien en opvoeden, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, te kunnen verminderen en/of weg te nemen. Dit zijn de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of ondersteuning die door andere personen uit het (sociale) netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) kan worden geboden. Daarnaast wordt onderzocht of er voorliggende (algemene) voorzieningen zijn waarmee (gedeeltelijk) voorzien kan worden in de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s). Als de jeugdige en/of ouder(s) op eigen kracht, met hulp en-/of ondersteuning van zijn (sociale) netwerk, door aanspraak te maken op een voorliggende wet/regeling of door gebruik te maken van een algemene voorziening, kan voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte, hoeft het college geen individuele Jeugdhulpvoorziening aan de jeugdige en/of ouder(s) toe te kennen. Waar mogelijk kan het college van de jeugdige en/of ouder(s) verlangen dat zij hun eigen kracht versterken en eventueel daarvoor een voorziening afgeven. Stap 5 – Stel vast welke individuele voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Hiermee wordt bedoeld dat het college vaststelt welke voorziening de jeugdige en/of ouder(s) feitelijk nodig heeft. Dit betekent dat het college voor het verschil dat bestaat tussen wat nodig wordt geacht aan ondersteuning en wat de jeugdige en/of ouders op eigen kracht kan/kunnen doen, een individuele voorziening kan toekennen. Beleidsregel (12) Relevante ander voorzieningen In aanvulling op hetgeen beschreven staat in artikel 2.3 van de Verordening, houdt het college in het onderzoek rekening met de voorzieningen die al aan de jeugdige en/of ouder(s) zijn verleend of die de jeugdige en/of ouder(s) al gebruiken en relevant zijn voor het onderzoek.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel