Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 11:

Weigeren van de uitkering

Onderdeel van Maatregelverordening IOAW en IOAZ gemeente Delft 2024

1.. Het college kan de uitkering weigeren op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ voor de duur van één maand wanneer belanghebbende inkomsten uit arbeid zou hebben kunnen krijgen, maar die niet krijgt. De hoogte van de weigering is gelijk aan de hoogte van de gemiste inkomsten. De uitkering wordt geweigerd als: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende hiervan een verwijt kan worden gemaakt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. 2.. Indien belanghebbende zich binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van een weigeringsbesluit opnieuw schuldig maakt aan een gedraging als bedoeld in het eerste lid, wordt de uitkering voor de duur van twee maanden geweigerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel