Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Toetsingscriteria

Onderdeel van Beleidsregels uitwegen gemeente Eemsdelta 2024

Voor het maken van een uitweg naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg (ook de tweede en volgende uitweg(en)), binnen of buiten de bebouwde kom, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd waarbij wordt getoetst aan de vier weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 2:12 van de APV. Dit artikel beschrijft hoe het college invulling geeft aan die weigeringsgronden middels het vaststellen van toetsingscriteria. Bij iedere aanvraag wordt een belangenafweging gemaakt op basis van onderstaande toetsingscriteria. 4.1 Ter voorkoming van gevaar voor verkeer op de weg De aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit maken van een uitweg naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg wordt door het college geweigerd indien de verkeersveiligheid in gevaar komt. Dit is het geval indien de uitweg is voorzien: aan een gebiedsontsluitingsweg (tenzij de wegbeheerder hiermee instemt); op- of binnen 5 meter van een bocht, een rotonde, kruising of splitsing van wegen; op- of binnen 5 meter van een voetgangers- en/of fietsoversteekplaats; op- of binnen 5 meter van een bushalte; op een plaats waar belemmeringen ontstaan voor het in- en uitrijden met een personenauto van één of meer bestaande garages; op een plaats waar de uitweg op een fiets- en/of voetpad uitkomt en dat pad moet worden bereden om vanaf de openbare weg het perceel te bereiken; op een plaats waar verlichting of bebording is aangebracht en deze uit oogpunt van veilig gebruik van de weg niet verplaatst kan worden; op een plaats waar het zicht vanaf de uitweg op de weg/voetpad/fietspad onvoldoende is en er veiligere alternatieven zijn; de uitweg tot gevolg heeft dat straatmeubilair of een nutsvoorziening en/of ander obstakel dient te worden verplaatst, maar er in de nabije omgeving geen geschikte alternatieve locatie voor genoemde objecten voorhanden is en/of er geen overeenstemming tot verplaatsing van het obstakel is met de eigenaar van het desbetreffende obstakel. 4.2 Ter bescherming van het aantal openbare parkeerplaatsen De parkeerdruk op de desbetreffende locatie is leidend. Om de parkeerdruk te bepalen kan door het college een parkeerdrukonderzoek worden uitgevoerd. In beginsel weigert het college de omgevingsvergunning indien de uitweg ten koste gaat van één of meerdere openbare parkeerplaatsen, tenzij: door realisatie van de uitweg de parkeerdruk in de openbare ruimte aantoonbaar afneemt; door realisatie van de uitweg de parkeerdruk in de openbare ruimte gelijk blijft; door realisatie van de uitweg de parkeerdruk in de openbare ruimte gelijk blijft, er sprake is van een (te) hoge parkeerdruk, maar naar het oordeel van het college de mogelijkheid bestaat om nieuwe (compenserende) parkeerplaatsen te realiseren. De aanlegkosten voor deze eventueel benodigde extra parkeerplaatsen zijn voor rekening van aanvrager; op basis van een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt aangetoond dat het noodzakelijk is dat aanvrager op eigen erf dient te parkeren en het daarvoor nodig is om een uitweg te realiseren. 4.3 Ter bescherming van houtopstanden en het openbaar groen Het college weigert de omgevingsvergunning indien bestaande openbare groenvoorzieningen zoals houtopstanden of openbaar groen door de te realiseren uitweg onevenredig wordt aangetast. Van het onevenredig aantasten van bestaande groenvoorzieningen is sprake indien: de uitweg leidt tot het verwijderen, het beschadigen of het snoeien van bestaande te behouden houtopstanden of andere groenvoorzieningen; de aanleg van de uitweg binnen de kroonprojectie van bestaande te behouden houtopstanden plaatsvindt; er grondophoging dan wel grondverlaging plaatsvindt binnen de kroonprojectie van bestaande te behouden houtopstanden; er opslag plaatsvindt, er wordt geparkeerd of er transport plaatsvindt binnen de kroonprojectie van bestaande te behouden houtopstanden; zonder omgevingsvergunning houtopstanden geveld worden als het gaat om houtopstanden in de openbare ruimte, particuliere monumentale- en potentieel monumentale houtopstanden, monumentale- en potentieel monumentale bomen geregistreerd in het Landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting of houtopstanden die geplant zijn in het kader van de herplantplicht. 4.4 Ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving Het college weigert de omgevingsvergunning indien het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt aangetast. Van een aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is sprake indien: de uitweg afwijkt van de maximale breedtes zoals omschreven in bijlage 1; de uitweg leidt tot parkeren in de voortuin van tussenwoningen bij rijenbouw, of als het een tweede uitweg betreft die leidt tot parkeren in de voortuin; de uitweg in strijd is met het geldende inrichtings-, Omgevings- en/of definitief beeldkwaliteitsplan; de uitweg afbreuk doet aan landschapsstructuren, bomenlanen en/of erfgoed. Dit kan gaan om natuurwaarde, landschappelijke waarde, cultuurhistorische waarde, waarde voor stads- en dorpsschoon, beeldbepalende waarde of dendrologische waarde, als bedoeld in artikel 4:11c lid 3 van de APV Eemsdelta; naar het oordeel van het college sterk afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke belevingswaarde van het desbetreffende gebied.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel