1. De budgetbeheerder controleert en fiatteert de factuur.
2. De controle van de factuur houdt minimaal in:
a. of de factuur overeenstemt met de opdracht en de geleverde prestatie, onder meer door controle van de juiste leverancier, juiste hoeveelheden en juiste prijs- en betalingsafspraken;
b. of de factuur aan de juiste order is gekoppeld;
c. bij facturen en aanslagen voor zaken zoals bedoeld in artikel 9 lid 4 of de kosten juist zijn en betrekking hebben op het aangegeven budget.
3. Bij constatering van onjuistheden onderneemt de (hoofd)budgethouder of budgetbeheerder zelf actie naar de leverancier.
4. Indien de afgesproken betalingstermijn niet kan worden aangehouden, meldt de (hoofd)budgethouder of budgetbeheerder dit aan de financiële administratie.
5. Fiattering van de factuur gebeurt in het financiële systeem via de daarvoor bestemde optie.