Het college verstrekt aan personen bedoeld onder artikel 1, lid 2 onder d en e van de verordening,
die onbetaalde additionele werkzaamheden verrichten zoals
genoemd in artikel 10a, zesde lid van de wet een premie van €
300,= per half jaar.
Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt
telkens elke zes maanden beoordeeld.
De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat
de belanghebbende de aan de ongeloonde additionele werkzaamheden
verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
geschonden.
Onverminderd het eerste lid komen ook personen bedoeld in
artikel 7 derde lid van de wet voor een premie in
aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen.
Voor zover belanghebbende niet beschikt over een
startkwalificatie, wordt binnen 6 maanden, na aanvang van de
onbeloonde additionele werkzaamheden, door het college bekeken
in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vercroting
van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Het college
betrekt bij deze beoordeling het oordeel van degene in wiens
opdracht de belanghebbende de additionele werkzaamheden
verricht, de scholingswens van belanghebbende, de kansen op de
arbeidsmarkt en mogelijke andere
re-integratie-instrumenten.