Het Afwegingskader omvat drie kerncomponenten: urgentie, regie en rendement, elk met hun eigen relevante aspecten. Allereerst wordt de urgentie beoordeeld, waarbij de focus ligt op de gemeentelijke visie (zoals beschreven in het waardenkader van de Omgevingsvisie) en de beleidsdoelstellingen (bijvoorbeeld de strategische planning voor woningbouw). De kernvraag hier is welke visie de gemeente nastreeft en welke doelen zij kan bereiken door ontwikkeling. Vervolgens wordt de regie onder de loep genomen, waarbij vragen centraal staan zoals of de markt de ontwikkeling kan dragen, welke positie de gemeente hierin moet innemen en wat de status is van de eigendomsverhoudingen. Als laatste wordt het rendement geëvalueerd, waarbij zowel het financiële resultaat, risicoanalyse als maatschappelijke waarde worden verkend. De evaluatie van deze aspecten is afhankelijk van de locatie en situatie, en kan dus variëren. Het gaat hier om een kwalitatieve beoordeling op basis van de genoemde factoren. Dit Afwegingskader wordt toegepast op het niveau van gebiedsontwikkeling, niet op individuele bouwplannen.
Tabel 1 Voorbeeld afwegingskader
Voor zowel passieve projecten/initiatieven die een nieuw omgevingsplan vereisen (uitgezonderd wijzigings- of uitwerkingsplannen) als voor actieve grondexploitatiecomplexen, streeft het college naar vroege coördinatie met de raad over de keuze van het te hanteren grondbeleid. Dit omvat het overwegen van kansen en risico's en de omgang daarmee bij het ontwikkelen van plannen. De initiatief- en haalbaarheidsfase van een project is het meest geschikt voor dit type gesprek met de raad. Tijdens deze fase worden de ruimtelijke, beleidsmatige en financiële richtlijnen vastgesteld. Daarom is het zinvol om de resultaten van het Afwegingskader te verbinden met deze richtlijnen en hierover een integrale besluitvorming te laten plaatsvinden.
Hoofdstuk 1. › Paragraaf 1.2
Artikel 1.2.1
Het Afwegingskader
Onderdeel van Nota Grondbeleid Oudewater 2024