Mocht minnelijke verwerving niet lukken dan is het vestigen van voorkeursrecht een ander verwervingsinstrument. Het vestigen van een voorkeursrecht op grond van de Omgevingswet geeft de overheid het eerste recht van koop. Wanneer een eigenaar van gronden waarop een voorkeursrecht rust, deze gronden wil verkopen, moet hij ze eerst aan de gemeente aanbieden. De gemeente kan de eigenaar echter niet dwingen om de gronden binnen de wettelijk gestelde termijnen te verkopen. Als de grondeigenaar besluit om de gronden te verkopen, is de gemeente niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken. Het bevoegde orgaan moet binnen de gestelde termijn een besluit nemen over de potentiële verwerving. Als het besluit negatief is, kan de eigenaar zijn gronden aan derden aanbieden. Doordat de gemeente de mogelijkheid geboden krijgt om de grond te kopen, kan de gemeenste desgewenst (en indien financieel haalbaar) voorkomen dat bij geplande ontwikkelingen de grondprijzen worden opgedreven of dat particulieren of organisaties grondposities innemen die de ontwikkeling van gebieden kunnen belemmeren.
Het vestigen van voorkeursrecht is een onderdeel van de Omgevingswet (Aanvullingswet Grondeigendom). Hoewel de reikwijdte van het voorkeursrecht gelijk blijft, worden de grondslagen voor het geven van een voorkeursrechtbeschikking aangepast. De structuurvisie is bijvoorbeeld vervangen door de Omgevingsvisie. Onder de Wvg trad het voorkeursrecht in werking op de dag na dagtekening van het Gemeenteblad/Staatscourant waarin het voorkeursrecht bekend was gemaakt. In de Omgevingswet treedt het voorkeursrecht in werking vanaf het moment van inschrijving in de openbare registers door het bevoegd gezag. Ten slotte is de geldigheidsduur van het voorkeursrecht gewijzigd: vijf jaar met de mogelijkheid tot verlenging van nog eens vijf jaar, in plaats van tien jaar.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1
Artikel 2.1.2
Voorkeursrecht
Onderdeel van Nota Grondbeleid Oudewater 2024