Kredietrisico’s worden in de eerste plaats beperkt doordat het financieringsbeleid gericht is op het voorkomen van langdurige overschotten. Bij het uitzetten of beleggen, dan wel aantrekken van middelen wordt alleen gebruik gemaakt van financiële producten, waarbij aan het einde van de looptijd ten minste de hoofdsom is gegarandeerd. Slechts gebruik wordt gemaakt van de instrumenten, zoals weergegeven onder hoofdstuk 4. Deze instrumenten worden vanuit twee invalshoeken belicht, te weten:
conform het in de Wet Fido bepaalde onderscheid, een splitsing in korte (< 1 jaar) en lange termijn (≥ 1 jaar) en
een onderscheid tussen aan te trekken en uit te zetten middelen.
Met betrekking tot het Kredietrisicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:
Uitzetten of beleggen van middelen uit hoofde van treasury vindt uitsluitend plaats bij:
Overheidsbanken binnen het EMU-gebied met minimaal een AA-rating.
Financiële instellingen binnen het EMU-gebied met minimaal een AA-rating voor de lange termijn en een P1-rating voor de korte termijn, afgegeven door één van de volgende erkende Rating-bureau’s: Moody’s, Standard & Poors of Fitch IBCA.1
Overheden en publiekrechtelijke lichamen met een solvabiliteitsratio van 0%.
Bij het verstrekken van leningen (uitsluitend uit hoofde van de “publieke taak”) worden, zoveel mogelijk, zekerheden geëist.
Voor het overige worden gelden aangehouden in ’s Rijks schatkist.