Artikel 2. Vorm van de bijstand
In dit artikel is de vorm van de bijstand geregeld, en ook de mogelijkheid om bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijken van de hoofdregel dat de bijstand om niet verstrekt wordt. Bij tekortschietend besef moet gedacht worden aan situaties waarin het de belanghebbende aan te rekenen is dat hij of zij een beroep op de bijstand moet doen. Bijvoorbeeld door het te snel interen op een vermogensoverschot. De bijstand kan dan in de vorm van een geldlening verstrekt worden.
Artikel 3. De aanvraag
Op grond van de Participatiewet moet een aanvraag voor bijzondere bijstand worden ingediend voor, of uiterlijk op de dag dat de kosten worden gemaakt. In de praktijk is gebleken dat dit regelmatig leidde tot afwijzende besluiten. Door de aanvrager worden bijvoorbeeld vaak kleine kostensoorten opgespaard waardoor die slechts eenmaal een aanvraag hoeft in te dienen. Al deze afwijzingen waren niet de bedoeling. Daarom is bepaald dat de klant de aanvraag voor bijzondere bijstand tot 6 maanden na het opkomen van de kosten kan doen voor alle kostensoorten behalve de kosten voor levensonderhoud voor jongeren van 18 tot 21 jaar en woonkostentoeslag.
Artikel 5.Het vermogen
De gemeente ’s-Hertogenbosch sluit aan bij vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet. Als er dus sprake is van vermogen boven die grens, dan bestaat er geen recht op bijzondere bijstand.
In lid 2 is bepaald dat er geen rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezige overwaarde van de eigen woning. Bij eigen woningbezit kan er soms wel sprake zijn van lagere woonlasten omdat de hypotheek (geheel/gedeeltelijk) afgelost is. Bij het vaststellen van de draagkracht wordt rekening gehouden met die eventuele lagere woonlasten. Bij het bepalen of er sprake is van lagere woonlasten, wordt uitgegaan van de basisnorm voor huurlasten. Het meerdere wordt als draagkracht aangemerkt.
Lid 5 geldt uitsluitend voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire die een tegemoetkoming van circa 30.000 euro hebben ontvangen van de Belastingdienst. Deze tegemoetkoming valt niet onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. Zolang dit bedrag, of het restant daarvan, op een rekening courant of spaarrekening staat, telt het niet mee als “vermogen”. Het deel van deze tegemoetkoming dat niet is uitgegeven, wordt ook in de jaren tot en met 2025 niet tot het vermogen gerekend. Eventuele inkomsten die uit deze tegemoetkoming worden ontvangen, vallen wel onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag.
De hardheidstegemoetkoming van circa 30.000 euro wordt door de Belastingdienst uitgekeerd op grond van artikelen 49 lid 1; 49a; 49b en 49c Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Door de vrijlating past de gemeente artikel 7 lid 1 sub p uit de regeling Participatiewet, IOAW, IOAZ op dezelfde manier toe bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag.
Artikel 6.Het inkomen
Het inkomen is gelijk aan (de som van) alle netto inkomensbestanddelen exclusief vakantiegeld en een eventuele eindejaarsuitkering waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De hoofdregel is dat alle middelen meetellen voor de beantwoording van de vraag of er recht op algemene bijstand bestaat en tot welk bedrag. De Participatiewet geeft een opsomming van de middelen die bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand worden vrijgelaten.
Het college gaat bij bijzondere bijstand uit van de norm zonder rekening te houden met eventuele kostendelers. Het college heeft hiervoor gekozen omdat er alleen recht op bijzondere bijstand bestaat als er sprake is van kosten voortvloeiende uit bijzondere omstandigheden en noodzakelijke kosten. Dat iemand eventuele woonkosten kan delen doet aan de bijzondere kosten op zichzelf niet af. Deze individuele bijzondere kosten kunnen niet direct of indirect worden afgewenteld op willekeurige derden, met wie wel algemene kosten kunnen worden gedeeld. Ook wordt de individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten.
Voor zelfstandigen en ZZP'ers geldt dat hun actuele maandinkomen niet goed is vast te stellen. Voor deze groepen wordt het inkomen uit zelfstandigheid gebaseerd op het inkomen van het laatste afgesloten fiscale jaar. Mocht er sprake zijn van een grote inkomensterugval, dan kan het inkomen opnieuw worden berekend. Wij sluiten zoveel mogelijk aan bij het zelfstandigenbegrip uit het besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Een periodieke uitkering particuliere oudedagsvoorziening kan niet (gedeeltelijk) buiten beschouwing worden gelaten. Deze geldt van wetswege alleen voor algemene bijstand. De lijfrente kan buiten beschouwing worden gelaten. De lijfrente is ook een soort particuliere oudedagsvoorziening.
In lid 3 wordt aangegeven dat bij de vaststelling van het inkomen uitgegaan wordt van het periodieke inkomen van de belanghebbende(n) over de maand waarin de kosten zijn gemaakt, tenzij dit geen juist inzicht geeft. Hiervan kan sprake zijn in geval van wisselende inkomsten.
Artikel 7.Draagkracht vaststellen en draagkrachtperiode
Het is aan het college om te bepalen welk deel van de middelen in aanmerking wordt genomen voor de draagkracht als bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Met de invoering van de Participatiewet betekent dit dat het college zich moet beraden op de vraag of bij de bepaling van de draagkracht rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm of niet.
Bij een inkomen tot aan 120% plus 150 euro (voor een alleenstaande) dan wel 300 euro (voor een echtpaar) van de geldende bijstandsnorm wordt geen draagkracht verondersteld. Dit verhoogde vrij te laten inkomen heeft het doel om de draagkrachtberekening te vereenvoudigen en minder bewijslast op te vragen ten opzichte van eerdere beleidsregels.
Bij een hoger inkomen dient van het extra inkomen 35% aangewend te worden als draagkracht. Voor de kosten genoemd in het vierde lid van dit artikel geldt dit niet. Hiervoor geldt het draagkrachtpercentage vanaf 100% boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat in beginsel de draagkracht over een periode van een jaar in aanmerking wordt genomen, dat wil zeggen: de periode van 12 maanden volgend op de periode waarop de bijzondere kosten zijn ontstaan.
Artikel 10.Bijzondere bijstand Levensonderhoud jongeren 18 tot 21 jaar
De voorwaarden voor verlening van bijzondere bijstand aan personen van 18, 19 of 20 jaar zijn opgenomen in artikel 12 van de Participatiewet. Verlening van bijzondere bijstand is mogelijk als de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere uitgaan boven de bijstandsnorm, en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
- - de ouders niet genoeg geld hebben, of
- - de jongere redelijkerwijs geen onderhoudsgeld van de ouders kan afdwingen.
Hierbij moet gedacht worden aan ouders die onvindbaar of niet bereikbaar zijn of aan de situatie waarin de relatie tussen ouders en kind ernstig verstoord is. Of de jongere is bijvoorbeeld in het kader van een hulpverleningstraject uit huis geplaatst.
Het meest voorkomende geval waarin een jongere hogere bestaanskosten heeft op die leeftijd, is als hij/zij zelfstandig woont. De bijstandsnorm voor levensonderhoud voor jongeren tot 21 jaar is laag en daardoor is deze norm in dat geval vaak niet toereikend.
De regel is dat bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor een jongere tot 21 jaar alleen mogelijk is als hij/zij zelfstandig woont. Het is mogelijk om op basis van lid drie van deze regel af te wijken. Want ook bij jongeren die in een opvangcentrum verblijven, kan er sprake zijn van hogere bestaanskosten. Vaak is dit het geval als er een eigen bijdrage betaald dient te worden voor het verblijf in het opvangcentrum. Jongeren tot 21 jaar die in een inrichting verblijven komen niet voor algemene bijstand in aanmerking (artikel 13, tweede lid onderdeel a Participatiewet). Ook deze jongeren kunnen op grond van lid drie in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor algemene bestaanskosten, voor zover ze geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van de ouders. In het vierde lid is de hoogte van de bijzondere bijstand geregeld.
Artikel 11.Woonkostentoeslag
Dit artikel regelt het recht op woonkostentoeslag. Er kan sprake zijn van een recht op huurtoeslag, maar de uitbetaling laat nog op zich wachten. Te denken valt aan een eerste gebroken maand en aan een plotselinge daling van het inkomen. Deze daling kan ertoe leiden dat de huur niet meer vanuit het inkomen betaald kan worden, en er, gelet op het rekeninkomen nog geen recht bestaat op huurtoeslag. Dit recht ontstaat dan pas in het volgende toeslagtijdvak. Tot aan de toekenning van de huurtoeslag kan er dan een woonkostentoeslag verstrekt worden.
Daarnaast hebben personen met een eigen huis geen recht op huurtoeslag. Als er sprake is van een dusdanig laag inkomen dat de woonkosten niet (volledig) vanuit dit inkomen betaald kunnen worden, bestaat in principe recht op woonkostentoeslag.
Bij zowel lid 1 als 2 geldt dat omstandigheden waaronder recht op huurtoeslag bewust is uitgesloten, geen aanspraak op woonkostentoeslag geven. Bijvoorbeeld bij onderverhuur, onzelfstandige woonruimte, of als de belanghebbende een niet-rechthebbende vreemdeling als huisgenoot heeft.
Op grond van lid 3 compenseren we woonkosten die boven de maximale huurgrens uitstijgen.
Uit lid 4 volgt dat de belanghebbende serieuze pogingen moet ondernemen om geen woonkostentoeslag meer nodig te hebben na de eerste toekenning. Anders is verdere verstrekking niet meer te rechtvaardigen (m.a.w. zijn de extra woonkosten niet langer als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan aan te merken). Bij elke nieuwe aanvraag moet dit opnieuw worden getoetst. De woonkostentoeslag is dus niet gemaximeerd tot twee jaar, maar kan worden verstrekt zolang de bijzondere situatie zich voordoet.
In lid 5 is de mogelijkheid tot het opleggen van een verhuisplicht geregeld. Zwaarwegende belangen kunnen bestaan uit het feit dat het niet wenselijk is om belanghebbenden te dwingen om het huis met verlies te verkopen, waardoor belanghebbende geconfronteerd wordt met een schuld. Ook de duur van de bijstandsafhankelijkheid dient betrokken te worden bij de overweging of een verhuis- of verkoopplicht opgelegd dient te worden.
In lid 6 zijn situaties beschreven waarbij in ieder geval geen verhuisplicht opgelegd dient te worden. Deze zijn afgeleid van artikel 13 van de wet op de Huurtoeslag.
In lid 7 wordt de mogelijkheid geboden de woonkostentoeslag met maximaal één jaar te verlengen.
Elk jaar moet opnieuw worden getoetst of belanghebbende naar vermogen heeft getracht goedkopere woonruimte te vinden, deze toeslag is niet gemaximeerd tot twee jaar, maar kan worden verstrekt zolang de situatie zich voordoet.
Artikel 12.Medische kosten
De basisverzekering is een passende en toereikende voorziening samen met de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Aanvragen voor medische kosten, die op grond van de aanvullende verzekering voor vergoeding in aanmerking komen, worden dan ook veelal afgewezen. In zeer schrijnende situaties behoort het verstrekken van bijzondere bijstand voor medische kosten tot de mogelijkheden, wanneer sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 lid 1 en artikel 49 aanhef en onder b van de Participatiewet.
Aan de hand van de individuele omstandigheden dient beoordeeld te worden of bijzondere bijstand voor een bepaalde kostensoort verstrekt kan worden.
Artikel 15.Duurzame gebruiksgoederen
Duurzame gebruiksgoederen zijn incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Voor deze kosten moet in principe gereserveerd worden uit de algemene middelen. Als de kosten niet voorzienbaar waren en de belanghebbende niet heeft gereserveerd of niet kon reserveren en vervanging van duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk is gebleken, kan een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand.
In afwijking van het beginsel dat bijstand in principe om niet wordt verstrekt, kan bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen met toepassing van artikel 51 Participatiewet worden verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht. Voor wat betreft de vorm van de bijzondere bijstand geldt de volgende voorkeur:
- - borgtocht bij een geldlening via de normale kredietverlenende instanties als vaststaat dat, zonderoptreden van de bijstand als borg, de lening door de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt;
- - leenbijstand.
Belanghebbende dient dan ook eerst te proberen een geldlening bij een kredietverlenende instelling af te sluiten, bijvoorbeeld bij een bank of de G.K.B. Als een dergelijke lening niet kan worden afgesloten dan kent het college bijzondere bijstand toe in de vorm van een geldlening. Soms moet de gemeente daarbij borg staan. Bijzondere bijstand kan dan worden verstrekt in de vorm van borgtocht. Borgtocht houdt in dat het college aansprakelijk wordt gesteld als de belanghebbende zijn aflossingsverplichtingen niet nakomt. De gemeente moet de geldlening dan terugbetalen aan de bank en heeft vervolgens een vordering op de belanghebbende (artikel 58 lid 2 onderdeel c Participatiewet).
Deze volgorde is gekozen omdat ook de aankoop, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Voor de hoogte van de afzonderlijke vergoedingen wordt de Nibud-prijzengids voor dit onderdeel niet gehanteerd. De Nibud-prijzengids is vastgesteld op basis van een modaal inkomen. Voor de hoogte van de verstrekkingen geldt het onderstaande. Deze bedragen worden ieder jaar geïndexeerd met het door de gemeente gehanteerde indexatiepercentage.
Stofferingskosten worden om niet verstrekt
| Eenpersoonshuishouden met 0 inwonende kinderen | € 1.716,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 1 inwonende kinderen | € 1.780,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 2 inwonende kinderen | € 1.780,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 3 inwonende kinderen | € 2.170,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 4 inwonende kinderen | € 2.170,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 0 inwonende kinderen | € 1.780,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 1 inwonende kinderen | € 1.780,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 2 inwonende kinderen | € 2.170,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 3 inwonende kinderen | € 2.170,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 4 inwonende kinderen | € 2.493,00 |
Duurzame gebruiksgoederen
| Eenpersoonshuishouden met 0 inwonende kinderen | € 1.804,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 1 inwonende kinderen | € 2.256,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 2 inwonende kinderen | € 2.709,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 3 inwonende kinderen | € 3.161,00 |
| Eenpersoonshuishouden met 4 inwonende kinderen | € 3.614,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 0 inwonende kinderen | € 1.939,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 1 inwonende kinderen | € 2.392,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 2 inwonende kinderen | € 2.844,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 3 inwonende kinderen | € 3.297,00 |
| Tweepersoonshuishouden met 4 inwonende kinderen | € 3.749,00 |
Woonkamer + keuken + badkamer
| Bank | € 452,00 |
| Salontafel | € 32,00 |
| 3 x lamp | € 38,00 |
| Eettafel | € 194,00 |
| 4 x Eetkamerstoelen | € 104,00 |
| Koelkast | € 259,00 |
| Wasmachine | € 297,00 |
| Bestek + servies + glazen | € 38,00 |
| Pannen | € 20,00 |
| Handdoeken | € 20,00 |
| Totaal | € 1.455,00 |
Slaapkamer 1 persoons
| Eenpersoonsbed + matras | € 155,00 |
| Kast | € 104,00 |
| Lamp | € 12,00 |
| Beddengoed | € 46,00 |
| Dekbed + kussen | € 64,00 |
| Totaal | € 485,00 |
Slaapkamer 2 persoons
| Tweepersoonsbed + matras | € 259,00 |
| Kast | € 104,00 |
| Lamp | € 12,00 |
| Beddengoed | € 46,00 |
| Dekbed + kussen | € 64,00 |
| Totaal | € 485,00 |
Artikel 16.Compensatie verminderde huurtoeslag als gevolg van inkomstenvrijlating
Uitkeringsgerechtigden die (tijdelijk) parttime werken, kunnen te maken krijgen met een daling van de huurtoeslag vanwege de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n van de Participatiewet. Door deze inkomstenvrijlating stijgt het inkomen van belanghebbende en als gevolg hiervan daalt mogelijk de hoogte van de huurtoeslag. Om uitstroom uit de bijstand te stimuleren en omdat we willen dat arbeid loont, kan deze daling van de huurtoeslag van het rijk gecompenseerd worden via de bijzondere bijstand. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op het bedrag van de daling van de huurtoeslag. De duur van de verstrekking is gelijk aan de duur van de toepassing van de inkomstenvrijlating. De verstrekking duurt zolang de inkomstenvrijlating van toepassing is.
Artikel 17. Collectieve zorgverzekering voor minima (CZM)
Artikel 35 lid 6 van de Participatiewet maakt het mogelijk om categoriale bijstand te verlenen in de vorm van een aanvullende ziektekostenverzekering. Hiermee kan het niet-gebruik van noodzakelijke voorzieningen worden teruggedrongen. De inkomensgrens wordt hierbij vastgesteld op130 % van de bijstandsnorm. De financiële vergoeding wordt niet aan de belanghebbende uitgekeerd maar wordt rechtstreeks aan de zorgverzekeraar uitbetaald.