De bevoegdheid om te besluiten op een aanvraag om een wijziging van het omgevingsplan voor hernieuwbare energie, indien niet tot aanpassing van het omgevingsplan wordt overgegaan vanwege strijd met de omgevingsvisie als bedoeld in art. 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet, dan wel strijd met het vastgestelde programma als bedoeld in art. 3.4, van de Omgevingswet, te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.