**1..** Een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag in de achtergevelrooilijn aan de lange zijden van een bouwblok niet hoger worden gebouwd:
in een bouwblok, bestemd voor bebouwing van alle zijden, dan tot de kleinste van de onder I en II vermelde maten:
I een hoogte, afhankelijk van de diepte van het bouwblok, bepaald als volgt:
1º in zone A: 1½ x de afstand tussen de achtergevelrooilijnen;
2º in de zones B, C en P: 1 x de afstand tussen de achtergevelrooilijnen;
3º in het overige gedeelte der gemeente: 2/3 x de afstand tussen de achtergevelrooilijnen;
II de hoogte, vermeld in art. 2.5.20, eerste lid, onder II;
in een bouwblok waarvan een der lange zijden niet voor bebouwing bestemd is, dan tot de hoogte, toegelaten in de voorgevelrooilijn van het gebouw.
**2..** De hoogte, bedoeld in het eerste lid, wordt gemeten boven straatpeil.
**3..** De afstand tussen de achtergevelrooilijnen, bedoeld in het eerste lid, wordt, voorzover deze rooilijnen niet evenwijdig lopen, gemeten in een dwarsdoorsnede van het bouwblok, haaks geplaatst op de lijn welke de hoek, gevormd door de bijbehorende zijden van het blok, middendoor deelt.
**4..** Een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een bouwvergunnig is vereist, mag in de achtergevelrooilijn aan de korte zijde van een bouwblok niet tot een hoger peil worden gebouwd dan is toegelaten in de daar aansluitende achtergevelrooilijn(en) der lange zijde(n) van het bouwblok.
**5..** Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, sub I, en het vierde lid, voor bebouwing nabij de hoeken van bouwblokken.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 2.5.21
Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Onderdeel van Bouwverordening 2003