Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.5.23

Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen

Onderdeel van Bouwverordening 2003

Een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger worden gebouwd dan tot de kleinste van de onder I en II vermelde maten: I. een hoogte, aangegeven door de vlakken welke door de voor- en de achtergevelrooilijn ter hoogte van de grootste toegelaten bouwhoogte zijn gebracht en met het horizontale vlak een hoek maken van: 55º in zone A; 45º in de zones B, C en P; 33º in het overige gedeelte der gemeente; II een hoogte van: 20 m aan de wegen, bedoeld in artikel 2.5.20, eerste lid, onder II sub a; 25 m in het overige gedeelte der gemeente.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel