Zo dikwijls als de zorg voor de nakoming van de bepalingen van deze verordening dit vereist, wordt hierbij aan de in art. 16 vermelde ambtenaren de last verstrekt, te allen tijde de woningen, de lokalen en de in art. 1 bedoelde besloten of open ruimten van de ingezetenen, huns ondanks, binnen te treden of te betreden, zulks voor zover het woningen betreft met inachtneming van het bepaalde bij de Wet van 31 augustus 1853 (Staatsblad 83).