Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 33

Intrekken van vergunningen

Onderdeel van Parkeerverordening 2007

1.. Burgemeester en Wethouders trekken een vergunning in, indien: de vergunninghouder daarom verzoekt; blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid; niet voldaan of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting; de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten. 2.. Burgemeester en Wethouders kunnen een vergunning voor het overige intrekken of wijzigen, indien: de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied; zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voorzover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen instandlating van de verleende vergunning; de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; op een adres twee bewonersvergunningen zijn verleend en het vergunningenplafond binnen het des-betreffende vergunninggebied inmiddels is bereikt; de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend. 3.. Burgemeester en Wethouders kunnen een overloopvergunning tevens intrekken indien het vergunningen-plafond binnen het vergunninggebied dat als overloopgebied is aangewezen, inmiddels is bereikt. 4.. Indien toepassing wordt gegeven aan lid 2, onder d , wordt de houder(s) van de vergunningen de keuze gelaten, of de eerste vergunning dan wel de tweede vergunning wordt ingetrokken. 5.. De houder van de vergunning levert de vergunning in zodra deze is ingetrokken.

Rechtspraak bij dit artikel