Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 8

Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan (stappenplan)

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp gemeente Wierden 2025

1.. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Een deskundige voert namens het college het gesprek met de jeugdige en/of zijn ouder(s), en voor zover nodig andere personen. 2.. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk de noodzaak voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp. Het college doet dit middels het volgende stappenplan: stap 1: het college stelt vast wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of zijn ouder(s); stap 2: het college stelt vast of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn; stap 3: wanneer het college de problemen en stoornissen heeft vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; stap 4: nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, wordt onderzocht of en in hoeverre de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige/ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (zoals in artikel 10 nader uitgewerkt), dan wel de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere of algemene voorziening de hulpvraag kan beantwoorden, stap 5: slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, verleent het college een voorziening van jeugdhulp. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De hiervoor bedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. 3.. Het college onderzoekt voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s). 4.. Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s), informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 5.. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) afzien van het gesprek. 6.. Het college legt de zaken genoemd in het tweede en het derde lid vast in het ondersteuningsplan. 7.. Het college kan de ingezette individuele voorziening (tussentijds) evalueren met de jeugdige, zijn gezinssysteem en/of de jeugdhulpaanbieder of zorgverlener. 8.. Het college verstrekt het ondersteuningsplan aan de jeugdige en/of zijn ouder(s). 9.. Binnen veertien dagen na verzending van het ondersteuningsplan kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) opmerkingen indienen. Na veertien dagen is het ondersteuningsplan, met eventuele opmerkingen van de jeugdige en/of zijn ouder(s), vastgesteld. 10.. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel