Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.1

Subsidiecriteria

Onderdeel van Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht

1. . In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.2.2 “de biodiversiteit in stad en platteland is verbeterd” kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten, gericht op het bestrijden of beheersen van invasieve exoten dan wel herstel van biodiversiteit na schade veroorzaakt door een of meer invasieve exoten, in de vorm van: uitvoering van bestrijdings-, beheers- en herstelprojecten alsmede onderzoek naar bestrijdings-, beheers- en herstelmethoden in: leefgebieden van Utrechtse aandachtsoorten; het Natuurnetwerk Nederland (NNN); KRW-oppervlaktewaterlichamen; Natura 2000-gebieden; Weidevogelkerngebieden; Ganzenrustgebieden; Groene contour; Waterparels; Kleine landschapselementen; Waardevolle houtopstanden buiten de bebouwde kom; het opstellen van een gebiedsplan voor bestrijdings- beheersings- en herstelprojecten zoals genoemd onder a; het betrekken van burgers bij de bestrijdings- beheersings- en herstelprojecten zoals genoemd onder a; veldonderzoek om de kosten van de activiteit te kunnen inschatten. 2. . Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: de activiteit is gericht op bestrijding en beheersing van, dan wel het herstel van biodiversiteit na schade door één of meer van de volgende invasieve exoten: uitheemse rivierkreeftsoorten; Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum); Reuzen- of Springbalsemien (Impatiens glandulifera); Aziatische duizendknopen; Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides); Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum); Waterwaaier of Cabomba (Cabomba caroliniana); Watercrassula (Crassula helmsii); Kleine waterteunisbloem of Postelein waterlepeltje (Ludwigia peploides subsp. Montevidensis); Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora); uitvoering van bestrijdings-, beheers- en herstelprojecten alsmede onderzoek naar bestrijdings- en beheersmethoden hebben betrekking op locaties waar de soorten, genoemd in het tweede lid, onder a, de biodiversiteit negatief kunnen beïnvloeden of hebben beïnvloed; en aannemelijk wordt gemaakt dat de activiteit in hoge mate zal bijdragen aan het blijvend terugdringen van desbetreffende invasieve exoot op de beoogde locatie, tenzij de activiteit onderzoek naar één of meer bestrijdingsmethoden betreft waarvan de effectiviteit juist onderzocht zal worden. 3. . Een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, gericht op herstel van biodiversiteit na schade veroorzaakt door een of meer invasieve exoten, komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking als benodigd plant- en zaaigoed dat wordt gebruikt om het ecosysteem weerbaarder te maken tegen exoten, inheems, autochtoon en van regionale afkomst is. 4. . Een gebiedsplan als bedoeld in het eerste lid, onder b, komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking als het desbetreffende gebiedsplan betrekking heeft op: één of meer invasieve exoten, genoemd in het tweede lid onder a, met uitzondering van uitheemse rivierkreeften; één van de volgende mogelijkheden: het totale grondgebied van een gemeente; het stroomgebied van een of meer waterlopen dat wordt beheerd door het waterschap en eventueel andere partijen. 5. . Activiteiten gericht op uitheemse invasieve rivierkreeftsoorten, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking als het een onderzoek naar bestrijdings- en beheersmethoden betreft. 6. . In afwijking van het eerste lid, onder a, komen onderzoeksprojecten ook voor subsidie in aanmerking als ze niet op locaties plaatsvinden, genoemd in het eerste lid, onder a, mits ze aantoonbaar een nieuwe of gecombineerde methode betreffen die bedoeld is om bij succes (mede) toe te passen op locaties waar de biodiversiteit wel negatief wordt beïnvloed door één van de invasieve exoten, genoemd in het tweede lid, onder a.

Rechtspraak bij dit artikel