**1..** Daar waar sprake is van een woning als bedoeld in artikel 1.1 onder c, moet uit de feitelijke constatering ter plaatse blijken dat deze woning wordt gebruikt als woonruimte en moet er sprake zijn van het hebben van woongenot. Veelal staat dit verwoord in het proces-verbaal van bevindingen van de politie. Dit kan echter ook geconstateerd worden door een medewerker van de gemeente Beek en in een controlerapport worden vastgelegd.
**2..** Indicatoren die kunnen leiden tot het in lid 1 genoemde oordeel zijn onder andere, doch niet limitatief:
- - geen inschrijvingen in de Basisregistratie Personen op het adres;
- - het feit dat een persoon die stelt op het adres te wonen, blijkens de Basisregistratie Personen elders staat ingeschreven;
- - bij de gemeente niet bekend is wie de WOZ-gebruiker van het adres is;
- - het bestaan van een achterstand in de betalingen van de gemeentelijke belastingen met betrekking tot het adres, tenzij ten tijde van het aantreffen van de middelen als bedoeld in Lijst I en/of Lijst II van de Opiumwet reeds bij de gemeente Beek bekend was c.q. gemeld was dat deze achterstand te wijten is aan financieel onvermogen van de bewoner(s);
- - het meermaals retour ontvangen van naar het betreffende adres verzonden gemeentelijke correspondentie;
- - beschrijvingen van eigen waarnemingen, waaruit redelijkerwijs aanwijzingen blijken dat de woning in kwestie niet feitelijk en/of bestendig wordt bewoond;
- - beschrijvingen in van een opsporingsinstantie ontvangen rapportage(s), waaruit redelijkerwijs aanwijzingen blijken dat een woning niet feitelijk en/of bestendig wordt bewoond.
**3..** Een voor bewoning bestemde ruimte die niet feitelijk gebruikt wordt als woning wordt aangemerkt als lokaal en valt daarmee onder het handhavingsbeleid dat voor lokalen geldt, zoals dat onder hoofdstuk 3 en 5 beschreven staat.